2010/021
Appellant tegen Hogeschool van Amsterdam
| Zaaknummer: | 2010/021 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-07-2010 |
| Trefwoorden: | |
| Artikelen: |
Hoofdoverwegingen:
2.5. Het College heeft eerder (uitspraak van 18 maart 1996 in zaak nr. CBHO 1995/151) als volgt overwogen:
“De bepaling van artikel 7.37, eerste lid, aanhef en onder b, van de WHW - voor zover hier van belang - is ontleend aan het bij de zogenoemde Harmonisatiewet (Wet van 7 juli 1988, Stb. 334) aan artikel 40 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO) en in artikel 42 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (WHBO) toegevoegde vierde lid, onderscheidenlijk ingevoegde tweede lid. Bij de behandeling van het voorstel van wet, dat heeft geleid tot de Harmonisatiewet, heeft de regering op een vraag van leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal naar de betekenis van de bewoordingen “het belang van het onderwijs” in die nieuwe bepalingen van evengenoemde artikelen van de WWO en de WHBO geantwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 469, nr. 245b):
“Ondergetekenden menen dat het de voorkeur verdient hier in één adem te spreken van: de aard of het belang van het onderwijs. Zo komt de terminologie ook thans in de wet al voor (in het huidige artikel 37). Toegespitst op de positie van de extraneus, die uitsluitend is ingeschreven voor het afleggen van examen (onderdelen), kan dit het best worden toegelicht met te wijzen op gevallen waarin het, bijvoorbeeld vanwege het toetsen van practica, niet mogelijk is alle examenonderdelen af te nemen. Het betreft derhalve een praktische maar beperkte grond waarop de inschrijving kan worden geweigerd.”
In de geschiedenis van de totstandkoming van de WHW is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de op het onderhavige punt gelijkluidende bewoordingen van thans artikel 7.37, eerste lid, van die wet, thans anders moeten worden uitgelegd.
Het instellingsbestuur staat het dan ook vrij om in gevallen, als in het hiervoor aangehaalde antwoord bedoeld, de inschrijving als extraneus te weigeren, omdat de aard of het belang van het onderwijs zich tegen die inschrijving verzet.
2.5.1.Verweerder heeft – door appellant onweersproken – gesteld dat het in geval van inschrijving van appellant als extraneus niet mogelijk is om van hem de tentamens van de onderwijseenheden, welke hem van de opleiding Aviation resteren, af te nemen, nu practica onlosmakelijk zijn verbonden aan die tentamens en hij deze als extraneus niet kan en mag volgen. Dat appellant, naar hij stelt, voorshands slechts op het oog heeft aan twee tentamens deel te nemen, waarvoor hij geen practica of colleges meer dient te volgen, doet er niet aan af dat de opleiding door hem niet zonder deelname aan practica en colleges kan worden gevolgd en afgerond. Het in beroep aangevoerde geeft daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aard of het belang van het onderwijs zich tegen de inschrijving van appellant als extraneus bij de opleiding Aviation studies verzet.
Downloads
2010021.pdf (0 bytes)
