Skip content

2011/152/CBE

Beroep tegen de uitspraak van het CBE UU, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie hem een negatief bindend studieadvies te geven, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2011/152
Zittingsdag: Donderdag 1 december 2011
Datum uitspraak: 23-01-2012
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.1 Het college van bestuur oefent ingevolge artikel 9.2, tweede lid, van de WHW de taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet aan het instellingsbestuur zijn opgedragen, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald. Artikel 9.15, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW bepaalt dat de decaan belast is met de uitvoering van de artikelen 7.8b en 7.9, met uitzondering van de aanwijzing van opleidingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid en 7.9, eerste lid. Derhalve heeft de WHW de decaan als bevoegd orgaan aangewezen voor het geven van een afwijzend bindend studieadvies. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, leidt de omstandigheid dat in dit geval de examencommissie het afwijzend bindend studieadvies heeft gegeven niet tot het oordeel dat het besluit van 31 augustus 2011 onbevoegd is genomen, nu in de door de decaan opgestelde OER in artikel 7.4, zevende lid, de bevoegdheid door hem aan de examencommissie is gemandateerd.
(…)
2.4.2 Het CBE heeft terecht overwogen dat hoewel appellant niet vanaf het begin van het studiejaar 2010/2011 de colleges heeft kunnen volgen van de vakken CM en OW hij deze vakken wel in het studiejaar 2009/2010 heeft gevolgd en hij door middel van zelfstudie de tentamenstof zich eigen had kunnen maken. Wat betreft de voor het vak CW in het studiejaar 2009/2010 gemaakte tussentoets geldt dat het CBE terecht heeft overwogen dat het de verantwoordelijkheid van de student is om op de hoogte te zijn van de studiewijzer. Daarin staat dat het resultaat van de tussentoets dat in een vorig studiejaar is behaald, komt te vervallen. Dat appellant gedurende het studiejaar 2009/2010 zeven studiepunten heeft behaald die niet behoren tot de voor het afwijzend bindend studieadvies van belang zijnde vakken, leidt niet tot het oordeel dat het CBE heeft miskend dat de examencommissie van het geven van een afwijzend bindend studieadvies heeft moeten afzien, reeds omdat ook indien daarmee rekening kon worden gehouden slechts 27 studiepunten waren behaald. Appellant betoogt verder tevergeefs dat het CBE ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn medische gesteldheid. Daartoe is van belang dat appellant - naar gesteld is door het CBE en niet door appellant is weersproken - ten tijde van het gesprek dat op 29 augustus 2011 heeft plaatsgevonden alvorens het afwijzend bindend studieadvies door de examencommissie is gegeven niet naar voren heeft gebracht dat zijn medische gesteldheid ten grondslag ligt aan de slecht behaalde studieresultaten. De examencommissie ging en kon dan ook alleen uitgaan van de in september 2010 door appellant overgelegde brief van de arts dat appellant nagenoeg klachtenvrij was. In beroep bij het CBE heeft appellant evenmin een beroep gedaan op zijn medische gesteldheid. Derhalve heeft het CBE terecht overwogen dat de examencommissie in redelijkheid aan appellant een afwijzend bindend studieadvies heeft kunnen geven. In dit verband is van belang dat ook al wordt ervan uitgegaan dat appellant door zijn medische gesteldheid niet in de gelegenheid is geweest om voldoende tijd aan zijn studie te besteden, de geringe resultaten die hij over het studiejaar 2010/2011 heeft behaald in redelijkheid tot het oordeel kunnen leiden dat appellant zodanig onder de norm heeft gepresteerd dat hij niet geschikt is voor de opleiding en niet verwacht mag worden dat hij deze binnen redelijke termijn met succes zal afronden.

Downloads