2011/168/CBE
Beroep tegen de uitspraak van het CBE Vrije Universiteit van Amsterdam, waarbij het beroep van appellante tegen de beslissing van de examencommissie Economie en Bedrijfseconomie haar een onvoldoende te geven en haar van 1 april tot 1 juli 2011 uit te sluiten van onderwijs, ongegrond is verklaard.
Hoofdoverwegingen:
2.6. Het opleggen van een maatregel in de zin van artikel 7.12b, tweede lid, van de WHW moet worden aangemerkt als een strafmaatregel, die op evenredigheid dient te worden getoetst. Aan zodanige maatregel dienen expliciet feiten, omstandigheden en verklaringen ten grondslag te worden gelegd die de maatregel kunnen dragen.
2.7. Tijdens de behandeling ter zitting heeft het CBE verklaard dat de lijst waarop door een docent het aantal ingeleverde tentamenbladen wordt vermeld, niet tijdens het tentamen wordt opgemaakt op het moment dat een student het gemaakte werk inlevert, maar daarna, voorafgaand aan het corrigeren van het gemaakte werk. Het is derhalve niet geheel uit te sluiten dat op het moment van het opmaken van deze lijst ten onrechte is vermeld dat appellante slechts één tentamenblad heeft ingeleverd, omdat op dat moment het tweede tentamenblad in het ongerede was geraakt. Voor zover het tweede tentamenblad inderdaad in het ongerede was geraakt en derhalve niet is nagekeken, kan dat een verklaring vormen voor het ontbreken van een markering op de niet beschreven delen van dat blad. Volgens de verklaringen van appellante kreeg zij evenwel bij gelegenheid van de inzage van haar tentamen beide tentamenbladen overhandigd. Hieruit volgt dat, voor zover het tweede tentamenblad aanvankelijk in het ongerede was geraakt, dit blad nadien bij het eerste tentamenblad is gevoegd. Het tweede tentamenblad was, gelet op de vermelding van haar naam daarop, ook duidelijk herleidbaar tot appellante. Niet valt in te zien dat dit blad bij het gecorrigeerde werk van appellante is gevoegd zonder dat hieraan enige verdere aandacht is besteed, temeer nu juist op het onbeschreven voorblad de gebruikelijke markering ontbreekt. Eveneens valt niet in te zien dat de twee docenten die het werk van appellante hebben nagekeken, beiden de verwijzing op het eerste tentamenblad naar een tweede blad over het hoofd hebben gezien dan wel naar aanleiding van die verwijzing niet zijn nagegaan of zich tussen het ingeleverde werk nog een tweede tentamenblad van appellante bevond. Als dat blad ook toen in de stapel ingenomen bladen aanwezig geweest was, zou dit zijn gevonden, zo mag worden aangenomen. Onder deze omstandigheden is het College met het CBE van oordeel dat voldoende vaststaat dat er sprake is geweest van fraude door appellante en ziet het geen reden om het besluit van het CBE onjuist te achten.
Downloads
2011168.pdf (40.18 KB)
