2011/178
Beroep tegen de uitspraak van de voorzitter van het CBE Vrije Universiteit van Amsterdam, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie van de faculteit Rechtsgeleerdheid hem geen vrijstelling te verlenen, ongegrond is verklaard en het gelijktijdige verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
| Zaaknummer: | 2011/178 |
|---|---|
| Zittingsdag: | Woensdag 7 december 2011 |
| Datum uitspraak: | 14-12-2011 |
| Trefwoorden: | |
| Artikelen: |
Hoofdoverwegingen:
2.3. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak
van 5 september 2011, zaak nr. 2011/050, www.cbho.nl), dient een CBE ingevolge voormelde bepalingen van de WHW een bij hem ingesteld beroep voltallig, dan wel in een voltallige kamer van dat college te behandelen. De wet biedt geen ruimte om een beroep in enkelvoudige samenstelling te behandelen. Bij artikel 7.61, zesde lid, van de WHW of anderszins is aan de voorzitter van het CBE evenmin de bevoegdheid toegekend om bij het treffen van een voorlopige voorziening, als in die bepaling bedoeld, tevens in de hoofdzaak te beslissen. Krachtens artikel 7.62 mogen geen van de wet afwijkende regels worden gesteld.
- Nu de WHW geen ruimte biedt om een beroep te behandelen in een kamer met minder dan drie leden, is het besluit van 12 november 2011 in strijd met de wet. Dat tegen dat besluit verzet kan worden en is gedaan door appellant en dat verzet door een voltallige kamer van het CBE wordt behandeld, maakt dit niet anders. Daarbij is mede van belang dat in verzet een andersoortige beoordeling plaatsvindt dan in een reguliere beroepsprocedure. Het CBE dient alsnog op het door appellant tegen het besluit van de examencommissie van 19 oktober 2011 bij hem ingestelde beroep te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Downloads
2011178 en 178.1.pdf (30.17 KB)
