Skip content

2015/125

Beroep tegen beslissing Universiteit Leiden, waarbij het bezwaar van appellant tegen de beslissing van verweerder hem niet in te schrijven omdat hij niet heeft voldaan aan de inschrijvingsvoorwaarden, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2015/125
Zittingsdag: Woensdag 9 september 2015
Datum uitspraak: 16-10-2015
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.5. De beslissing van 12 december 2014 vindt zijn grondslag in artikel 7.37, tweede lid, van de WHW en artikel 4 van de Regeling. In overeenstemming met deze bepalingen is niet tot inschrijving van appellant overgegaan, nu hij geen bewijs heeft overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of wordt voldaan. Artikel 4:8 van de Awb mist in dit geval toepassing, nu appellant heeft verzocht om inschrijving en het daarom een beslissing op een aanvraag betreft. Evenmin bevatten artikelen 7 en 9 van de Regeling een procedurevoorschrift dat had moeten worden nageleefd.
Het College is van oordeel dat appellant niet is benadeeld door het eerst op 12 december 2014 op schrift stellen en op 23 december 2014 aan hem toezenden van de beslissing hem niet in te schrijven. Reeds sinds 1 oktober 2014 was het niet mogelijk om aan de inschrijvingsvoorwaarden te voldoen. De Commissie heeft geen aanleiding behoeven te zien het verweerschrift van het CvB niet in de beoordeling te betrekken, nu appellant redelijkerwijs voldoende tijd heeft gehad om het verweerschrift te bestuderen, hij tijdens de hoorzitting op 19 maart 2015 in de gelegenheid is gesteld om op het verweerschrift te reageren en hij ook nog daarna kon reageren, nu verweerder na de hoorzitting nog informatie mocht leveren.
Het CvB heeft als bijlage bij het verweerschrift een e-mailbericht van 31 juli 2014 van de studentenadministratie van de Universiteit Leiden aan appellant gevoegd. Hierin staat dat hij via Studielink heeft aangegeven dat hij niet via een digitale machtiging wil betalen. Voorts staat in het e-mailbericht dat hij voor overige betaalwijzen kan kijken op een website waarvan de link is vermeld en dat hij er zelf verantwoordelijk voor is dat hij het collegegeld binnen de daarvoor gestelde betalingstermijn voldoet. Tot slot staat in het bericht dat indien de betaling niet voor de startdatum van de opleiding binnen is, hij het risico loopt dat de aanmelding wordt
geannuleerd. Na het selecteren van de optie “betalen via de instelling” was het aldus de verantwoordelijkheid van appellant om voor tijdige betaling zorg te dragen. Voorts heeft het CvB in het verweerschrift toegelicht dat appellant op 13 oktober 2014 in Studielink een wijziging heeft aangebracht in zijn betaalwijze. Als automatisch gevolg daarvan heeft hij een e mailbericht van Studielink ontvangen waarin wordt gevraagd de digitale machtiging te bevestigen. Dit biedt op zichzelf en in samenhang met de eerder gestuurde berichten geen grond voor het wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen dat het collegegeld na 1 oktober mocht worden voldaan. Evenmin vormt de omstandigheid dat appellant, zoals hij stelt, in het collegejaar 2013-2014 zonder problemen na 1 oktober heeft betaald voldoende grond voor een gerechtvaardigd vertrouwen, nu appellant er bekend mee dient te zijn dat de regels en het beleid omtrent inschrijving en betaling van het collegegeld kunnen wijzigen. De gevolgen van het niet tijdig reageren op de e-mailberichten van 4 augustus 2014, 25 augustus 2014 en 15 september 2014 behoren voor zijn risico te komen. Overigens is op deze e-mailberichten artikel 6:6 van de Awb niet van toepassing, reeds omdat deze bepaling slechts geldt voor herstelmogelijkheden in bezwaar en beroep en van bezwaar of beroep geen sprake was.
Gelet op het voorgaande heeft het CvB bij beslissing van 12 december 2014 terecht het verzoek om inschrijving van appellant voor de master Rechtsgeleerdheid afgewezen, nu hij niet tijdig bewijs had overgelegd dat het collegegeld is of wordt voldaan. Nu het CvB reeds om deze reden de inschrijving mocht weigeren, behoeft het betoog van appellant dat betrekking heeft op achterstand van de betaling van het collegegeld van het collegejaar 2013-2014 geen bespreking. Derhalve is er ook geen aanleiding voor de door appellant gevraagde verklaring voor recht.
De betogen falen.

Downloads