Skip content

2017/187

Verzoek om schadevergoeding van de Hogeschool Utrecht in verband met studievertraging bij hetĀ afstuderen.

Zaaknummer: 2017/187
Zittingsdag: Maandag 15 januari 2018
Datum uitspraak: 31-01-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker na zijn eerste afstudeerpresentatie ten onrechte geen beoordelingsformulier heeft ontvangen en dat daarmee een procedurele fout is gemaakt. Voor zover verzoeker betoogt dat hij bij tijdige ontvangst van het beoordelingsformulier zijn tweede afstudeerpresentatie wel met een voldoende zou hebben afgerond, faalt dit betoog nu dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het College overweegt daartoe dat verzoeker, zoals ook door hem ter zitting van het College is bevestigd, na afloop van zijn eerste afstudeerpresentatie mondeling feedback heeft gekregen van de examinator. Ook is hij binnen een week na afloop van de afstudeerpresentatie naar de Hogeschool gegaan waarbij hij zijn afstudeerpresentatie met de betrokken examinator nogmaals heeft besproken. Daarnaast heeft hij van zijn praktijkstagebegeleider feedback ontvangen. Ondanks al deze feedback is verzoeker er niet in geslaagd zijn tweede afstudeerpresentatie met een voldoende af te ronden, zodat evenmin zeker is dat hij met het beoordelingsformulier wel een voldoende zou hebben behaald. Voor zover verzoeker betoogt dat hij, gelet op de erkenning door de examencommissie dat een procedurele fout is gemaakt, direct in september een derde kans had moeten krijgen en dat hij die derde kans eerder had kunnen benutten, overweegt het College dat, gelet op het hiervoor overwogene, evenmin vaststaat dat de derde kans op dat moment zou hebben geleid tot een voldoende presentatie. Daarbij komt dat de examencommissie verzoeker uit coulance een derde kans heeft geboden, mede gelet op het feit dat zijn opleiding Algemene Operationele Techniek na 31 december 2016 niet langer als erkende opleiding in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs zou worden geregistreerd en verzoeker derhalve een groot belang had om tijdig af te studeren. Gelet op het vorenstaande ontbreekt het causaal verband tussen de procedurele fout en de door verzoeker gestelde schade althans is het bestaan ervan door verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook overigens heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij enige schade heeft geleden. Zijn stelling dat hij werkzaamheden kon verrichten bij de Albert Heijn heeft hij niet met enig objectief bewijs gestaafd. Datzelfde geldt voor zijn stelling dat hij niet heeft kunnen solliciteren. De extra twee maanden collegegeld zijn niet als schade aan te merken aangezien verzoeker tijdens die maanden gebruik heeft gemaakt van de voorzieningen van de Hogeschool.

Downloads