Skip content

2017/190

Beroep tegen de beslissing van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft waarbij het bezwaar tegen de hoogte van het verschuldigde instellingscollegegeld, deels gegrond is verklaard. Tevens verzoek schadevergoeding.

Zaaknummer: 2017/190
Zittingsdag: Donderdag 1 februari 2018
Datum uitspraak: 08-02-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.1. Ingevolge artikel 7.43, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) is een student voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan de desbetreffende instelling wettelijk collegegeld als bedoeld in de artikelen 7.45 en 7.45a of instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 verschuldigd.
Ingevolge artikel 7.45a, eerste lid, eerste volzin, is het wettelijk collegegeld verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit.
Ingevolge artikel 7.46, eerste lid, is een student die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, het instellingscollegegeld verschuldigd.
Ingevolge het tweede lid wordt de hoogte van het instellingscollegegeld door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen.
Ingevolge artikel 5 van bijlage 1 Retributie- en Inschrijvingsbeleid Studentenstatuut TU Delft 2016-2017, krijgen Non-EER studenten met RAS-toekenning bij een vervolginschrijving een tuition waiver ter hoogte van het verschil tussen het betaalde instellingstarief en het wettelijke tarief.
2.3.2. In haar beroepschrift en ter zitting van het College is door appellante erkend dat zij het wettelijk collegegeldtarief verschuldigd is en kwijtschelding niet aan de orde kan zijn. Voorts staat tussen partijen vast dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de vraag of appellante over de maanden april 2017 tot en met augustus 2017 het instellingscollegegeldtarief is verschuldigd.
Het College stelt vast dat uit artikel 5 van Retributie- en inschrijvingsbeleid volgt dat een ‘tuition waiver’ kan worden toegekend aan non-EER studenten met een toekenning van financiële ondersteuning op grond van de Regeling Afstudeersteun. In dat geval krijgen non-EER studenten bij een vervolginschrijving een ‘tuition waiver’ ter hoogte van het verschil tussen het te betalen instellingscollegegeld en het wettelijk collegegeld. Het College begrijpt hieruit dat de ‘tuition waiver’ een tegemoetkoming is, waarmee een deel van het door de student betaalde collegegeld wordt vergoed. De ‘tuition waiver’ is daarmee niet aan te merken als
een volledige vrijstelling van het instellingscollegegeld. Appellante kon dan ook niet zonder meer hieruit afleiden dat zij het instellingscollegegeld niet meer verschuldigd zou zijn. Nu evenwel de communicatie vanuit de universiteit richting appellante hierover onvolledig is geweest, waardoor appellante niet op deze terugbetalingsverplichting heeft kunnen anticiperen, is het College van oordeel dat het college van bestuur niet in redelijkheid over de maanden april 2017 tot en met augustus 2017 het instellingscollegegeld bij haar in rekening heeft kunnen brengen. Daartoe overweegt het College dat appellante uit het aanvraagformulier van haar eerste aanvraag kon opmaken dat zij bij toewijzing van de aanvraag slechts het wettelijk collegegeld verschuldigd was. Verder blijkt uit de brieven van 17 november 2015 en 31 oktober 2016 noch uit de e-mail van de studieadviseur duidelijk waarvoor de ‘tuition waiver’ is bedoeld. Het begrip “tuition waiver” houdt normaliter in dat geen collegegeld verschuldigd is.
Het betoog slaagt.

Downloads