Skip content

2017/195/CBE

Beroep tegen de beslissing van het College van Beroep voor de Examens van Hogeschool Inholland waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de directeur van het Domein Business, Finance &Law hem voor de opleiding AD Bedrijfseconomie VT een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard

Zaaknummer: 2017/195
Zittingsdag: Woensdag 10 januari 2018
Datum uitspraak: 31-01-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2016, in zaak nr. CBHO 2015/264), is de studentendecaan, indien een student persoonlijke omstandigheden bij hem heeft gemeld, gehouden om een schriftelijk advies uit te brengen, welk advies ook aan de student moet worden verzonden. De vertrouwelijkheid van de gesprekken kan niet afdoen aan de verplichting van de studentendecaan om toetsbaar, feitelijk juist, begrijpelijk en deugdelijk gemotiveerd advies te geven. Vervolgens dient het bestuursorgaan dat een beslissing omtrent een bindend studieadvies neemt en zich daarbij op het advies van de studentendecaan baseert, zich ervan te vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.
2.5. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat de studentendecaan geen positief advies wil geven, omdat appellant onvoldoende bewijs van door hem gestelde persoonlijke omstandigheden heeft aangedragen. In het dossier bevindt zich echter geen schriftelijk advies van de studentendecaan. De verplichting om een advies uit te brengen, geldt ongeacht of de studentendecaan een positief of negatief standpunt over de student wenst in te nemen. Ter zitting van het College is namens de directeur en het CBE toegelicht dat voor hen het enige relevante bewijsstuk een positief advies van de studentendecaan is. Stukken die de aanwezigheid van persoonlijke omstandigheden staven, zijn door de directeur en het CBE niet in acht genomen. Hiermee voldoen de directeur en het CBE niet aan hun plicht om zich ervan te vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Het College is van oordeel dat de directeur en het CBE appellant in de gelegenheid hadden moeten stellen om alle stukken over te leggen die volgens hem zijn stelling dat zich persoonlijke omstandigheden voordoen kunnen ondersteunen. Zij hadden appellant ook kunnen vragen om toestemming voor het doorsturen van de door hem bij de studentendecaan overgelegde stukken. De stukken die een student in dit kader overlegt, moeten bij de beoordeling of het advies van de studentendecaan zorgvuldig tot stand is gekomen worden betrokken. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van het CBE van 25 september 2017 onzorgvuldig is voorbereid.

Downloads