Skip content

2017/204/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beoordeling van de afstudeerstage (opleiding Watermanagement), ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/204
Zittingsdag: Woensdag 14 februari 2018 Ochtend
Datum uitspraak: 07-05-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, is de Awb van toepassing op instellingen voor bijzonder onderwijs. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2011 in zaak nr. 2011/096; www.cbho.nl), oordeelt het op grond van artikel 7.66, eerste lid van de WHW over het beroep tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs, genomen op grond van deze wet en de daarop gebaseerde regelingen. Het CBE is zulk een orgaan. Uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever daarop enige restrictie heeft aangebracht voor beslissingen van een orgaan van een bijzondere instelling, die als privaatrechtelijk zijn aan te merken. Derhalve wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbare en bijzondere instellingen en bestaat, anders dan het CBE heeft gesteld, geen grond voor het oordeel dat de Awb, die volgens de WHW van toepassing is, niet op het handelen van bijzondere instellingen van toepassing is. (Uitspraak van 17 maart 2014 in zaak nr. CBHO 2013/205; www.cbho.nl).
2.4. De afstudeerhandleiding en het reglement Klachtenregeling staan toe dat studenten voorafgaand aan de beroepsprocedure bij het CBE een bezwaarprocedure bij de examencommissie volgen. Daarvoor biedt de WHW geen grond. Gelet op de voorgeschreven poging tot een minnelijke schikking heeft een dergelijke bezwaarprocedure ook geen toegevoegde waarde, terwijl de extra procedure voor studenten vertragend werkt en mogelijk problemen met termijnen oplevert. Het College wijst in dit kader op zijn uitspraken van 11 december 2015 in zaak nr. CBHO 2015/231, van 13 oktober 2014 in zaak nr. CBHO 2014/117 en van 28 april 2016 in zaken nrs. CBHO 2015/307 en 2015/308 (www.cbho.nl).
Nu het bezwaar van appellant mede betrekking had op de beoordeling van de stage en daarmee op een beslissing van de examinatoren, had de examencommissie het bezwaarschrift van appellant met toepassing van artikel 6:15 Awb moeten doorzenden naar het CBE ter behandeling als administratief beroep.
2.5. Voorts overweegt het College als volgt. Artikel 7.61, derde lid, van de WHW schrijft dwingend voor dat wordt nagegaan of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is, voorafgaand aan de behandeling van het beroep door verweerder. Het College stelt vast dat niet aan dit vereiste is voldaan. Het College benadrukt dat de wetgever aan de schikkingsprocedure de hoogste prioriteit heeft toegekend. Reeds op deze grond dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard en de beslissing van verweerder van 5 september 2017 te worden vernietigd.

Downloads