Skip content

2017/253/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van De Haagse Hogeschool waarbij het beroep van appellante tegen de beslissing van de examencommissie om wegens fraude het resultaat van de onderwijseenheid VP-PRAK2VT-1-16 ongeldig te verklaren en haar uit te sluiten van de eerstvolgende toetsgelegenheid, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2017/253
Zittingsdag: Woensdag 14 februari 2018 Middag
Datum uitspraak: 04-04-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.5. Het is begrijpelijk dat de hogeschool om plagiaat te voorkomen, zoveel mogelijk wenst tegen te gaan dat studenten hun werk aan elkaar ter beschikking stellen. Het enkele ter beschikking stellen van eigen werk aan een ander staat echter zeer ver af van wat in het algemeen dagelijks taalgebruik onder fraude wordt verstaan. Naar het oordeel van het College is in dit geval een redelijke uitleg van artikel 8.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de OER dan ook dat slechts van fraude als bedoeld in die bepaling sprake is indien het eigen materiaal aan een ander ter beschikking is gesteld met het oog op door de ander te plegen plagiaat, dan wel waarbij willens en wetens de kans is aanvaard dat de ander het materiaal zal gebruiken om te plagiëren. Met de verklaringen van de medestudent van appellante van 7 juli 2017 en van 23 augustus 2017 heeft de examencommissie niet aannemelijk gemaakt dat appellante haar werk aan hem ter beschikking heeft gesteld met het oog op door hem te plegen plagiaat, noch dat zij willens en wetens de kans heeft aanvaard dat hij haar werk zou gebruiken om te plagiëren. Het CBE heeft niet onderkend dat de examencommissie derhalve ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante fraude heeft gepleegd. Het betoog slaagt.

Downloads