Skip content

2018/002

Beroep tegen de beslissing van het college van bestuur van de Hogeschool Rotterdam waarbij het bezwaar van appellant tegen de beslissing van de directeur van de dienst Administratie, Informatievoorziening en Control om hem niet in te schrijven voor de opleiding Wiskunde, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/002
Zittingsdag: Vrijdag 23 maart 2018
Datum uitspraak: 07-08-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Het College stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder appellant terecht de toelating tot de kopopleiding Wiskunde heeft geweigerd. Naar verweerder ter zitting van het College heeft toegelicht, is de kopopleiding een eenjarige opleiding die leidt tot een tweedegraadsbevoegdheid voor leraar. In de kopopleiding komt alleen didactiek aan de orde en om die reden moet de aspirant-student al in het bezit zijn van een relevante bacheloropleiding, aldus verweerder.
2.2.2. Op 15 september 2004 heeft de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Convenant ‘Kopopleiding leraar in het hoger beroepsonderwijs’ gesloten met onder meer de Hogeschool Rotterdam (Stcrt. 2004, nr. 179, zoals gewijzigd bij convenant van 2 juni 2006, Stcrt. 2006, 115). Uit overweging 3 van dat Convenant volgt dat partijen het wenselijk achten om voor studenten met een WO- of HBO-bachelor getuigschrift, of een eerder behaald gelijkwaardig getuigschrift, in een verwant vakgebied, te komen tot de invoering van een opleidingsvariant van de tweedegraads lerarenopleiding. Deze kopopleiding duurt één jaar en heeft een omvang van 60 ECTS. In onderdeel A, onder c, van het Convenant is geregeld dat studenten met een afgeronde verwante bachelor- of gelijkwaardige studie tot de kopopleiding worden toegelaten. De verwante studies zijn opgenomen in de in het Convenant opgenomen tabel.
Bij Wet van 14 juni 2007 tot wijziging van onder meer de Wet van 14 juni 2007 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) in verband met onder meer de uitvoerbaarheid van die wet en de invoering van een kopopleiding in het hoger onderwijs, alsmede van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer Associate-degreeprogramma’s en masteropleidingen op het gebied van het hoger onderwijs (Stb. 2007, nr. 254), is de kopopleiding ingevoerd.
In de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet (Kamerstukken II 2006/07, 30 971, nr. 3, p. 2), is het volgende vermeld: “De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de HBO-Raad hebben zich door middel van het convenant «Kopopleiding leraar in het hoger beroepsonderwijs» tot doel gesteld een voltijdse en/of duale opleidingsvariant van de huidige reguliere tweedegraads lerarenopleiding van één jaar nominale studieduur (60 ECTS), leidend tot een hbo-bachelorgetuigschrift, in te voeren. Studenten met een wo- of hbo-bachelorgetuigschrift in een verwant vakgebied, kunnen aan deze opleiding deelnemen. De kopopleiding bestaat overigens uit het didactische gedeelte van die reguliere hbo-bacheloropleiding tot leraar. Gelet op de vooropleiding van de desbetreffende studenten ontvangen zij vrijstelling voor het inhoudelijke gedeelte van die opleiding […].”
De in het Convenant opgenomen tabel van gelijkwaardige verwante bachelor- of gelijkwaardige studie die toelating tot de kopopleiding verschaffen, is inmiddels opgenomen in de Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 augustus 2017 (hierna: de Regeling; Stcrt. 2017, nr. 46450). In de Regeling is een tabel “Verwante opleidingen kopopleidingen 2017” opgenomen. Daaruit volgt dat als verwante opleidingen voor de kopopleiding
Wiskunde worden gekwalificeerd een hbo-bachelor Bedrijfswiskunde en een wo-bachelor Wiskunde.
2.2.3. Deze Regeling, die verweerder appellant heeft tegengeworpen bij zijn inschrijvingsverzoek, vindt haar grondslag in artikel 5.2a van de Wsf 2000. Op grond van deze bepaling wordt de prestatiebeurs van een student op aanvraag 1 jaar langer verstrekt indien de student een bacheloropleiding heeft behaald, die is opgenomen in de Regeling en indien die student is ingeschreven voor de hbo-lerarenopleiding voor een daarbinnen te volgen eenjarig programma (de kopopleiding). Uit voormeld artikel 5.2a van de Wsf 2000, gelezen in samenhang met de geschiedenis van de totstandkoming van de kopopleiding Wiskunde, waarin is vermeld dat studenten vrijstelling ontvangen voor het inhoudelijke gedeelte van de reguliere bacheloropleiding leraar, begrijpt het College dat de kopopleiding een verkort programma is binnen die reguliere opleiding. Dat betekent dat in het kader van de vrijstellingen voor het inhoudelijke gedeelte van de opleiding leraar, dient te worden beoordeeld of de vooropleidingen van appellant voldoen aan de vereisten om voor die vrijstellingen in aanmerking te komen.
2.2.4. Verweerder is bevoegd om in het kader van een verzoek om inschrijving te beoordelen of een aspirant-student voldoet aan de bij of krachtens de WHW gestelde vooropleidings- en toelatingseisen voor inschrijving. Omdat de kopopleiding een verkort programma is binnen de reguliere opleiding, een student vrijstellingen dient aan te vragen voor het inhoudelijke gedeelte van de reguliere opleiding om dat verkorte programma te kunnen volgen en verweerder niet het
bevoegde orgaan is om die vrijstellingen te beoordelen, heeft verweerder de Regeling niet aan zijn besluitvorming tot weigering van het inschrijvingsverzoek van appellant ten grondslag mogen leggen. Verweerder heeft verder niet gemotiveerd op grond van welke, bij of krachtens de WHW gestelde vooropleidings- of
toelatingseis voor de kopopleiding Wiskunde, het inschrijvingsverzoek van appellant zou moeten worden geweigerd.
Het besluit van 30 november 2017 van verweerder dient dan ook te worden vernietigd. Hiermee is overigens niet gegeven dat appellant het verkorte programma van de kopopleiding Wiskunde ook daadwerkelijk kan volgen. Zoals ook uit de vorige overweging volgt, dient door het daartoe bevoegde orgaan onder meer aan de hand
van de door appellant gevolgde vooropleidingen te worden beoordeeld of hij voor vrijstellingen van het inhoudelijke gedeelte van de reguliere opleiding in aanmerking komt.

Downloads