Skip content

2018/005/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Universiteit Maastricht waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beoordeling van de Bachelorthesis, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/005
Zittingsdag: Vrijdag 20 april 2018 Ochtend
Datum uitspraak: 09-05-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Beoordeling door het College
2.4.1. Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van verweerder een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Het College kan slechts beoordelen of verweerder zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of enig andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.
2.4.2. Verweerder heeft gemotiveerd dat studenten via een klachtenprocedure de gelegenheid kunnen krijgen om een nadere toelichting op de beoordeling te krijgen. Deze procedure is, zo heeft verweerder uitgelegd, in het leven geroepen om studenten op een informele en laagdrempelige manier in de gelegenheid te stellen klachten over de beoordeling van de bachelorthesis bij de coördinator in te dienen. Appellant heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en zich bij e-mail van 26 juli 2017 tot de tweede beoordelaar gewend. Daarop heeft de tweede beoordelaar appellant bij e-mail van 27 juli 2017 verzocht te melden met welk onderdeel van de beoordeling hij het niet eens is. Appellant heeft vervolgens bij e-mail van 28 juli 2017 gereageerd door het standpunt in te nemen dat de feedback te algemeen is. Hij heeft de tweede beoordelaar verzocht hem uitgebreidere feedback te doen toekomen, zodat hij zijn klacht tegen het cijfer kan formuleren. De tweede beoordelaar heeft appellant in reactie op zijn e-mail verwezen naar de eerder door hem gegeven feedback. Naar het College begrijpt, betoogt appellant dat hij de klachtenprocedure niet ten volle heeft kunnen benutten, omdat hij zijn inhoudelijke klacht tegen het cijfer niet op grond van de feedback van de tweede beoordelaar heeft kunnen formuleren.
2.4.3. Onder de gedingstukken bevindt zich een overzichtsformulier waarop de waardering voor de verschillende beoordelingspunten, door middel van plus- en mintekens en een cijfer, door zowel de eerste beoordelaar als de tweede beoordelaar is vermeld. Vervolgens hebben beide beoordelaren in datzelfde formulier feedback gegeven op de bachelorthesis. Daarbij heeft de eerste beoordelaar, tevens begeleider, gedetailleerde feedback gegeven; de tweede beoordelaar heeft zijn feedback beknopter gehouden. De feedback van de twee beoordelaren vertonen, zo heeft verweerder vastgesteld, raakvlakken. Volgens verweerder kon appellant bovendien inhoudelijk op de feedback van de beide beoordelaars reageren. Verweerder heeft zich verder over de totstandkoming van het eindcijfer op het standpunt gesteld dat appellant op de hoogte was van de beoordelingsnormen, dat die normen zijn voorzien van beoordelingen door middel van plus- en mintekens, dat de beoordelingen door de beide beoordelaars zijn aangevuld met feedback, dat de begeleider appellant een uitgebreide reactie op de klachten heeft gegeven en dat appellant verdere uitleg heeft gekregen over de beoordeling van de tweede beoordelaar tijdens het schikkingsgesprek. Verder dient de motivering van de beoordeling,
aldus verweerder, in zijn geheel te worden bezien en niet per afzonderlijk onderdeel.
Het College ziet, anders dan appellant heeft betoogd, onder die omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de beoordeling van de bachelorthesis onvoldoende transparant is, onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat het appellant onmogelijk is gemaakt zijn inhoudelijke klachten tegen de becijfering bij de beoordelaren kenbaar te maken. Weliswaar was de feedback van de tweede beoordelaar beknopt en meer algemeen dan de feedback van de eerste beoordelaar, maar dat neemt niet weg dat de kern van de kritiek van de tweede beoordelaar daaruit valt al te leiden en appellant, mede bezien in het licht van de overige informatie op het overzichtsformulier, desgewenst inhoudelijk op die kritiek had
kunnen reageren naar de tweede beoordelaar.
2.4.4. Het College komt tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat de beslissing van verweerder van 24 november 2017 te vernietigen.

Downloads