Skip content

2018/021/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de opleiding Commerciële Economie om haar een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/021
Zittingsdag: Maandag 16 april 2018
Datum uitspraak: 07-06-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.2. […]
Ter zitting van het College is komen vast te staan dat appellante haar opdracht vóór het verstrijken van de deadline in het voorgeschreven softwareprogramma E Wall heeft geplaatst, maar dat de docent te kennen heeft gegeven dat hij de opdracht niet kon inzien. Voorts is komen vast te staan dat appellante de opdracht vóór het verstrijken van de deadline per e-mail aan de betrokken docent heeft gezonden. Volgens appellante heeft zij dit met instemming van de docent gedaan, nadat zij hem had medegedeeld dat E-Wall bij haar niet goed functioneerde. Het College ziet dit bevestigd in afschriften van e-mail- en Whatsapp correspondentie in het procesdossier. In aanmerking genomen dat van de kant van verweerder ter zitting te kennen is gegeven dat, anders dan uit het dossier valt op te maken, niet cruciaal is dat de opdracht via E-Wall aan de docent was verstrekt, maar dat ook inzending per e-mail als een tijdige inzending kon worden beschouwd, acht het College aannemelijk dat de docent de opdracht vóór het verstrijken van de deadline heeft ontvangen. De verwijzing van verweerder naar een e-mail van 30 november 2017 van de voorzitter van de examencommissie aan verweerder doet hieraan niet af. In deze e-mail wordt een telefonische reactie van de betrokken docent, die niet meer bij de hogeschool werkt, op het administratief beroep weergegeven. In die e-mail is uitsluitend de aanbieding van de opdracht via E-Wall en niet via e-mail aan de orde. De decaan is er bij het gegeven van het BNSA derhalve ten onrechte vanuit gegaan dat appellante terecht de kwalificatie "GR" voor het vak Personal Branding is toegekend. Het betoog slaagt.
2.3. Appellante betoogt dat verweerder haar in de bestreden beslissing ten onrechte heeft geweigerd een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een beslissing toe te kennen.
Ingevolge artikel 7.61, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek beslist verweerder binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift is verstreken.
De beslissing van 18 juli 2017 is op dezelfde dag verzonden. De termijn van zes weken voor het indienen van het administratief beroepschrift is derhalve op 29 augustus 2017 verstreken. De beslistermijn van tien weken voor verweerder liep derhalve tot en met 7 november 2017. Appellante heeft verweerder bij brief van 12 november 2017, op dezelfde dag per aangetekende post verzonden, in gebreke gesteld. Verweerder moet worden geacht deze brief op 13 november 2017 te hebben ontvangen. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Die twee weken waren op 27 november 2017 verstreken, zodat verweerder over de periode van vijftien dagen van 28 november 2017 tot en met 12 december 2017 een dwangsom is verschuldigd. Ingevolge artikel 4:17, tweede lid, van de Awb
bedraagt de dwangsom voor de eerste veertien dagen van de periode waarin verweerder in gebreke is € 20,00 per dag en voor de daarop volgende veertien dagen € 30,00 per dag. Dit betekent dat
verweerder aan appellante een dwangsom van € 310,00 heeft verbeurd. Het betoog slaagt.

Downloads