Skip content

2018/026/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Hogeschool der Kunsten waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de Examencommissie Media om hem een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/026
Zittingsdag: Vrijdag 25 mei 2018
Datum uitspraak: 16-07-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. […]. Appellant heeft kennelijk gemeend uit de titel van de onder 2.4 genoemde OER te hebben mogen afleiden dat die OER op hem van toepassing was, nu hij Animation studeerde. Hij heeft echter miskend dat hij voor een andere opleiding ingeschreven was. Hij was immers ingeschreven voor de opleiding Bachelor of Design-Animation (1e instroom 2012). Voor die opleiding golden de bepalingen uit de OER die onder 2.2 zijn weergegeven, zodat voor hem de norm van 52 studiepunten, inclusief de twee werkschouwen gold. Aan deze norm voldeed appellant niet. In zoverre bestond er dus geen belemmering om aan appellant een BNSA te geven.
2.5. Appellant betoogt dat verweerder niet heeft onderkend dat de examencommissie in de door hem naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden aanleiding had moeten zien het uitbrengen van een studieadvies uit te stellen. Hij voert daartoe aan dat zijn studieresultaten in het tweede studiejaar negatief zijn beïnvloed door de omstandigheden waaronder hij, na problemen in de privésfeer, bij een kennis gehuisvest is geweest.
2.5.1. Ook dit betoog slaagt niet. Uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat verweerder heeft aangenomen dat de omstandigheden waaronder appellant in zijn tweede studiejaar gehuisvest is geweest, zoals door hem gesteld, zich hebben voorgedaan. Daarmee is echter niet gezegd dat de aangevoerde omstandigheden de examencommissie aanleiding hadden moeten geven af te zien van het verstrekken van een BNSA. Naar het oordeel van het College mocht verweerder, in administratief beroep de examencommissie volgend, zich op het standpunt stellen dat appellant niet tijdig genoeg aannemelijk heeft gemaakt dat de persoonlijke omstandigheden er voor hem - ook gedurende het gehele tweede jaar - aan in de weg hebben gestaan te presteren op zijn normale niveau en dat hij daardoor aan het einde van het studiejaar zijn werkschouwen niet had behaald. Daarbij komt dat uit de overgelegde stukken naar voren komt dat de opleiding zelf heeft vastgesteld dat de studieresultaten van appellant achterbleven en zij appellant daarom diverse handreikingen heeft gedaan om eventuele problemen te bespreken en het studieprogramma aan te passen, maar dat appellant daarop niet is ingegaan.
2.6. Appellant betoogt tot slot dat hij onder het bereik van de vangnetregeling in de OER zou moeten vallen.
2.6.1. Dit betoog slaagt niet. De bepalingen die aan de beslissing van de examencommissie ten grondslag liggen zijn duidelijk en de toepassing ervan leidt tot een in de OER voorziene en niet kennelijk onredelijke uitkomst. Dat appellant naar eigen zeggen een gemotiveerde student is, die hard heeft gewerkt en voor wie het voltooien van de opleiding van groot belang is, maakt dat niet anders.

Downloads