Skip content

2018/033/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Technische Universiteit Delft waarbij het administratief beroep van appellant tegen weigering van de Examencommissie van de Faculteit Techniek, Bestuur en Management om het judicium cum laude toe te kennen voorde door hem behaalde Master Management of Technology.

Zaaknummer: 2018/033
Zittingsdag: Vrijdag 20 april 2018 Ochtend
Datum uitspraak: 07-05-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling door het College
2.3.1. Niet in geschil is dat appellant de master MOT niet binnen 24 maanden heeft afgerond, uitgaande van de inschrijfdatum voor die master van
1 september 2015. Appellant beroept zich evenwel op de uitzonderingsbepaling, neergelegd in artikel 33, tweede lid, van de Regels en Richtlijnen van de examencommissie. Volgens die bepaling kan de examencommissie in individuele gevallen het judicium cum laude toekennen in het geval dat de student de studieduur van 24 maanden heeft overschreden, omdat de student als gevolg van bijzondere omstandigheden niet in staat was te studeren.
2.3.2. Over die bijzondere omstandigheden heeft de examencommissie tijdens de hoorzitting bij verweerder toegelicht dat het om bijzondere omstandigheden moet gaan die vaak buiten de macht van de student liggen, waarbij kan worden gedacht aan ziekte of andere persoonlijke situatie als gevolg waarvan de student niet kan studeren. Daarbij kan, aldus de examencommissie, ook worden gedacht aan op grond van de Regeling Afstudeersteun Studenten toegekende RAS-maanden. In dit geval heeft de examencommissie de situatie van appellant, waarin hij de keuze heeft gemaakt zich per 1 september 2015 in te schrijven, terwijl hij zijn eerdere master nog niet had afgerond, niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt. Verweerder heeft daarover overwogen dat als bijzondere omstandigheden worden beschouwd omstandigheden die buiten de macht van een student liggen waardoor de student niet in staat is geweest te studeren. Ook verweerder noemt als voorbeeld een ernstige ziekte die de student verhindert te studeren. Verweerder heeft daarom het standpunt van de examencommissie gevolgd dat de situatie van appellant niet als bijzondere omstandigheid kwalificeert. Naar het oordeel van het College valt gelet hierop niet in te zien dat verweerder bij de beoordeling of de situatie van appellant als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt, in strijd met het beginsel van willekeur heeft gehandeld.
Naar het oordeel van het College heeft verweerder verder geen aanleiding hoeven zien de beslissing van de examencommissie te vernietigen. Zoals verweerder terecht, de examencommissie volgend, heeft overwogen, heeft appellant de bewuste keuze gemaakt zich per 1 september 2015 in te schrijven voor de opleiding MOT, terwijl hij nog in het scriptietraject van zijn eerdere master bevond. Appellant had zich bovendien, zoals verweerder eveneens terecht heeft overwogen, op de hoogte kunnen stellen van de mogelijkheden voor tussentijdse inschrijving dan wel inschrijving per
1 februari 2016. Verweerder heeft in dat kader ter zitting van het College onweersproken gesteld dat in artikel 3.1 van het Studentenstatuut is geregeld dat doorstroom voor studenten die reeds aan de instelling studeren op elk moment mogelijk is en dat dit artikel appellant bekend kon zijn.
2.3.3. Het College komt gelet op al het voorgaande tot de conclusie dat de beslissing van verweerder van 19 december 2017 niet voor
vernietiging in aanmerking komt

Downloads