Skip content

2018/037

Beroep tegen de beslissing van De Haagse Hogeschool waarbij het bezwaar van appellant tegen de (hoogte van) het instellingscollegegeld, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/037
Zittingsdag: Woensdag 2 mei 2018 middag
Datum uitspraak: 07-06-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Ter zitting van het College is komen vast te staan dat appellant reeds vóór 1 september 2017, in ieder geval bij de bevestiging van zijn inschrijving voor het studiejaar 2017 2018, is medegedeeld dat hij het instellingscollegegeldtarief van € 7.900,00 verschuldigd is. De brief van 6 september 2017 gaat van hetzelfde tarief uit en behelst derhalve niet een aanpassing van het tarief na het begin van het studiejaar 2017-2018 als door appellant bedoeld.
In zoverre faalt het betoog.
2.5. Appellant beschikte met ingang van 2 juli 2012 over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdende met 'medische behandeling'. Met ingang van 2 juli 2015 beschikt appellant over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdende met 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'.
De verblijfsvergunning waarover appellant thans beschikt, kan niet worden aangemerkt als een verblijfsvergunning in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder e en 2°, van het Bsf. In artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 wordt immers een onderscheid gemaakt tussen de beperkingen 'medische behandeling' en 'tijdelijke humanitaire gronden'. Alleen een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met 'tijdelijke humanitaire gronden' of hiermee verband houdende 'niet tijdelijke humanitaire gronden' leidt ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef, onder e en 2°, van het Bsf tot gelijkstelling met een Nederlander. De beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' waaronder de huidige verblijfsvergunning van appellant is verleend, houdt verband met de beperking 'medische behandeling' waaronder de eerdere verblijfsvergunning van appellant is verleend, niet met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden'.
Dat het niet de bedoeling van de wetgever is om houders van een verblijfsvergunning onder de beperking 'medische behandeling' en daarmee verband houdende 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' voor de studiefinanciering met een Nederlander gelijk te stellen, blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Bsf. In de nota van toelichting bij het op 1 juni 2013 in werking getreden Besluit modern migratiebeleid (Stb. 2010, 307, blz. 200) is immers het volgende vermeld: "De wijzigingen van het Besluit studiefinanciering 2000 en het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten houden verband met de nieuwe beperkingen waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, voortaan wordt verleend. […] De verblijfsvergunning die voorheen werd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel of met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, wordt [evenals de verblijfsvergunning die voorheen werd verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, welke verblijfsvergunning tot gelijkstelling met een Nederlander leidde] voortaan verleend onder de beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden.
Dit leidt tot een geringe uitbreiding met die kinderen die in verband met eergerelateerd geweld of een kinderbeschermingsmaatregel in het bezit zijn gesteld van deze verblijfsvergunning."
Dat in hoofdstuk B8, getiteld 'humanitair tijdelijk', van de Vc 2000 beleidsregels zijn opgenomen ten aanzien van het verblijfsdoel 'medische behandeling', zoals door appellant aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. De Vc 2000 volgt de in de toelichting bij het Besluit modern migratiebeleid (blz. 58) vermelde systeem van 'verblijfskolommen'. De in dit kader gebruikte terminologie heeft geen betekenis voor het wettelijk systeem van de aan een verblijfsvergunning verbonden beperkingen. Ook in zoverre faalt het betoog.
2.6. De stelling van appellant dat hij het instellingscollegegeldtarief niet kan betalen, maakt het in rekening brengen ervan op zichzelf niet onevenredig. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de wetgever niet beoogd studenten met een verblijfsvergunning als die van appellant voor het wettelijk collegegeld in aanmerking te laten komen. Dat appellant het eerste jaar van zijn opleiding kennelijk ten onrechte het
wettelijk collegegeldtarief in rekening is gebracht, verplichtte verweerder niet dit tarief ook in de volgende jaren in rekening te brengen.
In zoverre faalt het betoog eveneens.

Downloads