Skip content

2018/040/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Universiteit Leiden waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de Examencommissie om hem namens het bestuur van de Faculteit der Geesteswetenschappen een bindend negatief studieadvies te verstrekken voor de opleiding Russische Studies, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/040
Zittingsdag: Woensdag 13 juni 2018 middag
Datum uitspraak: 26-06-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:
2.4.1. Het CBE heeft onderzocht of appellant in staat moet worden geacht binnen redelijke termijn de opleiding af te ronden en heeft daarmee invulling gegeven aan het criterium of appellant niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding. Het CBE heeft daarbij een op de persoon toegesneden beoordeling gemaakt, waarbij niet alleen de studieresultaten van appellant, maar ook zijn persoonlijke omstandigheden en studiegerelateerde omstandigheden in ogenschouw zijn genomen. Anders dan appellant betoogt, heeft het CBE door aldus te oordelen geen onjuiste toepassing gegeven aan artikel 7.8b van de WHW. In het licht van voormelde beoordeling is het College met het CBE van oordeel dat de examencommissie zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant niet geschikt voor de opleiding Russische Studies moet worden geacht. Het College overweegt daartoe dat appellant slechts 25 van de minimaal vereiste 45 studiepunten van de propedeutische fase heeft behaald. Weliswaar was appellant in de periode 6 april 2017 tot 1 september 2017 volledig gehinderd bij het verrichten van studieprestaties, maar deze verhindering kan niet het gehele tekort aan studiepunten verklaren. Voor het oordeel dat appellant niet geschikt is voor de opleiding heeft het CBE bij de beoordeling voorts mogen betrekken dat van de 25 behaalde studiepunten slechts 5 studiepunten behaald zijn voor de inhoudelijke vakken, terwijl de inhoudelijke vakken in de postpropedeutische fase van de opleiding het zwaartepunt vormen. Het CBE heeft het niet behalen van de inhoudelijke vakken in de propedeutische fase aldus als een indicatie mogen beschouwen dat appellant niet in staat moet worden geacht binnen redelijke termijn de opleiding af te ronden. Voorts heeft het CBE bij de beoordeling mogen betrekken dat appellant bij het vak Inleiding Russische Letterkunde bij het maken van een boekbespreking plagiaat heeft gepleegd. Aan appellant is vervolgens toestemming verleend om een nieuwe boekbespreking in te leveren, maar hij heeft dit niet binnen de gestelde deadline ingeleverd.
Gelet op het vorenstaande was voldoende informatie voor de examencommissie beschikbaar om een adequaat oordeel te geven over de ongeschiktheid van appellant. Er bestond dan ook geen aanleiding voor de examencommissie om de beslissing over het verstrekken van het BNSA uit te stellen.
Het betoog faalt.

Downloads