Skip content

2018/050/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van de Universiteit van Amsterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beoordeling van haar scriptie ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/050
Zittingsdag: Donderdag 3 mei 2018
Datum uitspraak: 07-06-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. In het dossier bevinden zich de beoordelingsformulieren. De twee examinatoren hebben beiden afzonderlijk een beoordelingsformulier ingevuld. Die zijn vervolgens op een derde formulier samengevoegd, waaruit het cijfer 4,7 volgt. Voor het onderdeel informatie is door de 1e examinator een 4 toegekend, door de 2e examinator een 6, gezamenlijk een 5; voor het onderdeel argumentatie door de 1e examinator een 4, door de 2e een 3, gezamenlijk een 4; voor het onderdeel structuur door de 1e examinator een 5, door de 2e een 4, gezamenlijk een 4; voor het onderdeel taal en referenties heeft de 1e examinator een 7 gegeven, de 2e examinator ook een 7, gezamenlijk een 7. Als totaalcijfer is de 1e examinator uitgekomen op een 4,5 en de 2e op een 4,65. Gezamenlijk zijn zij op een 4,7 uitgekomen. De examinatoren hebben elk op het door hen ingevulde beoordelingsformulier per onderdeel een toelichting gegeven.
De examinatoren hebben verklaard dat zij hun beoordeling onafhankelijk hebben verricht. Uit de beoordelingsformulieren volgt dat de examinatoren als totaalcijfer nagenoeg op hetzelfde cijfer zijn uitgekomen. De deelcijfers verschillen maximaal twee punten. Gelet hierop, heeft het CBE zich op het standpunt mogen stellen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om aan de door de examinatoren gegeven beoordeling te twijfelen. De formulieren geven blijk van een zorgvuldig verrichte en voldoende gemotiveerde beoordeling. Over de onderzoeksmethode en -vragen overweegt het College dat de omstandigheid dat een begeleider de gekozen aanpak en opzet van een scriptie goedkeurt nog niet maakt dat de uiteindelijke uitwerking daarvan in de scriptie in alle gevallen tot een voldoende leidt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar begeleider heeft verklaard dat haar onderzoeksmethode en -vragen zoals die hebben geleid tot de door haar bij de twee examinatoren ingeleverde scriptie voldoende zijn.
Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het CBE ten onrechte heeft geconcludeerd dat de beoordeling zorgvuldig heeft plaatsgevonden en daarbij aan de voorschriften van procedurele aard is voldaan. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat een herbeoordeling had moeten worden toegekend.
Voor zover appellante de beoordeling wenst na te bespreken met de examinatoren, overweegt het College dat het op de weg van de opleiding ligt om daarvoor zorg te dragen. Het beroep van appellante op artikel 7.30e van de WHW kan niet slagen. Die bepaling heeft betrekking op toelatingseisen voor masteropleidingen, hetgeen in deze zaak niet aan de orde is.

Downloads