Skip content

2018/052/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van Zuyd Hogeschool waarbij het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de directeur van de Faculteit Maastricht of Fine Arts and Design om hem een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/052
Zittingsdag: Woensdag 13 juni 2018 ochtend
Datum uitspraak: 28-06-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:
2.4.1. Het CBE heeft in de stukken alsook ter zitting van het College toegelicht dat er in het studiejaar een aantal contactmomenten tussen de studieloopbaanbegeleider en de student wordt ingepland. In dat verband heeft het CBE ter zitting onweersproken toegelicht dat deze contactmomenten plaatsvinden na afloop van elke periode waarbij de evaluatie plaatsvindt van het beoordelingsmoment en waarbij de studievoortgang met de student wordt besproken. Het CBE heeft voorts onweersproken gesteld dat appellant in periode 4 tweemaal is uitgenodigd voor een gesprek met de studieloopbaanbegeleider, maar dat appellant niet op deze uitnodigingen heeft gereageerd. Wat betreft het volgen van het onderwijs en het maken van herkansingen heeft het CBE het jaarrooster 2016-2017 overgelegd. Hierin is vermeld in welke week de beoordeling van een periode plaatsvindt alsook de desbetreffende herkansing van de periode daaraan voorafgaand. Voorts heeft het CBE de uitnodiging overgelegd van het bureau Onderwijs waarin aan alle studenten is medegedeeld dat zij zich moeten inschrijven voor de beoordelingen in periode 3 en de herkansing van de beoordeling in periode 2. Daarnaast heeft het CBE een e-mail overgelegd van docent [Naam 2] aan onder meer appellant en waarin de datum van de presentatie is medegedeeld. Gelet op het vorenstaande had appellant, anders dan hij stelt, op de hoogte kunnen zijn van de datum en het tijdstip van de herkansing van de meesterproef in periode 3. De herkansing van de meesterproef is, nu appellant deze niet heeft afgelegd maar zich wel daarvoor had ingeschreven, met een onvoldoende beoordeeld. Voor zover appellant het daar niet mee eens is, overweegt het College dat appellant tegen deze beoordeling rechtsmiddelen had kunnen aanwenden hetgeen hij niet heeft gedaan. Die beoordeling kan in deze procedure dan ook niet meer aan de orde komen. Ten aanzien van de herkansing in periode 4 overweegt het College dat uit de door het CBE overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat appellant kon en behoorde te weten dat de herkansing in augustus zou plaatsvonden. Appellant heeft zich evenwel niet voor de herkansing ingeschreven, zodat het niet behalen daarvan voor zijn rekening komt.
Over de ontvangen feedback van docent [Naam 1] in periode 3 overweegt het College dat voor zover de feedback tevens een beoordeling omvat appellant hiertegen rechtsmiddelen had kunnen aanwenden hetgeen hij niet heeft gedaan. Voorts overweegt het College dat het CBE onbetwist heeft toegelicht dat na een beoordeling altijd een gesprek plaatsvindt met de studieloopbaanbegeleider betreffende de opmerkingen van de beoordelaar. Verder overweegt het College dat niet gebleken is dat appellant enig initiatief heeft ondernomen om de feedback met de desbetreffende docent te bespreken.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de hogeschool niet zodanige voorzieningen heeft getroffen dat de mogelijkheden voor een goede studievoortgang zijn gewaarborgd. Derhalve is de beslissing tot het verstrekken van het BNSA niet in strijd met artikel 7.8b, derde lid, van de WHW. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij 30 in plaats van 24 studiepunten heeft behaald, overweegt het College dat appellant dit niet met stukken heeft aangetoond. Het CBE heeft daarentegen een uitdraai uit de administratie overgelegd waarin is vermeld dat appellant 24 studiepunten heeft behaald. De conclusie is dat het CBE de beslissing van de directeur om appellant een BNSA te geven terecht in administratief beroep heeft gehandhaafd.
Het betoog faalt.

Downloads