Skip content

2018/056/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van Hogeschool Rotterdam waarbij het administratief beroep van appellante tegen de beslissing van de afstudeercommissie om het afstudeerwerk met een onvoldoende te beoordelen, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/056
Zittingsdag: Woensdag 2 mei 2018 middag
Datum uitspraak: 30-05-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3. De beslissing van 1 september 2017 vermeldt waarom appellante onvoldoende scoort op de aan de hand van de door haar vervaardigde scriptie beoordeelde onderdelen 6.3 en 6.4 van de competentie Onderzoeksvaardigheden, voor welke onderdelen zij het cijfer 2, de laagst mogelijke beoordeling, heeft gekregen. Na het door appellante ingestelde administratief beroep heeft de examencommissie de scriptie voorgelegd aan een niet eerder bij de beoordeling betrokken docent. Volgens het door de examen-commissie bij verweerder ingediende verweerschrift komt de conclusie van deze docent erop neer dat sprake is van een goede scriptie, maar dat appellante er in het licht van de vereisten van onderdeel 6.3 onvoldoende fiscale literatuur over het behandelde onderwerp in heeft verwerkt. Het College constateert dat een door deze docent zelf opgesteld stuk waarin zijn beoordeling van de scriptie is neergelegd in het procesdossier ontbreekt. Ter zitting van het College hebben verweerder en de examencommissie over de beoordeling door deze docent geen nadere informatie kunnen geven. Het College kan bij de beoordeling van het beroep derhalve alleen uitgaan van de weergave van die beoordeling in het verweerschrift van de examencommissie. Dit leidt het College tot de conclusie dat de beoordeling van de scriptie door deze docent geen volledige ondersteuning van de beslissing van 1 september 2017 vormt. Weliswaar komt het oordeel dat appellante onvoldoende fiscale literatuur in haar scriptie heeft verwerkt overeen met hetgeen die beslissing over onderdeel 6.3 vermeldt, maar een specifiek oordeel van deze docent over onderdeel 6.4 ontbreekt. Niet kan worden uitgesloten dat de scriptie volgens deze docent, in lijn met zijn opmerking dat sprake is van een goede scriptie en de ruime voldoendes die appellante voor de overige negen competenties heeft gehaald, op onderdeel 6.4 voldoende zou kunnen scoren. Bij een voldoende voor dat onderdeel zou appellante een voldoende voor de competentie Onderzoeksvaardigheden en een voldoende eindscore voor haar afstudeerwerk hebben gehaald. De hangende het administratief beroep verrichte beoordeling van een naar aanleiding van de afstudeerzitting aangepaste scriptie, welke beoordeling wel is neergelegd in een stuk dat zich in het procesdossier bevindt, vormt evenmin een volledige ondersteuning van de beslissing van 1 september 2017. De kritiek die in die beslissing op de scriptie wordt geleverd, komt in dat stuk weliswaar gedeeltelijk terug, maar in dat stuk wordt niet vermeld dat op één van de onderdelen 6.3 en 6.4 de laagst mogelijk score zou moeten worden gegeven. De conclusie voor onderdeel 6.3 luidt dat het vermoeden is ontstaan dat appellante de competentie voldoende beheerst, waardoor een 6 zou kunnen worden toegekend. De conclusie bij onderdeel 6.4 luidt dat niet kan worden geadviseerd een voldoende voor dit onderdeel te geven, maar dat het er wel dicht tegenaan zit. Het voorgaande is voor het College grond om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de door de afstudeercommissie verrichte beoordeling, die heeft geresulteerd in toekenning van het
laagst mogelijke cijfer voor de onderdelen 6.3 en 6.4. Deze twijfel wordt versterkt door de onduidelijkheid die ook na de zitting van het College is blijven bestaan over de zorgvuldigheid waarmee de afstudeercommissie is samengesteld. Niet in geschil is dat tussen appellante en een van de docenten die deel uitmaakten van de afstudeercommissie een conflict heeft plaatsgevonden. Appellante heeft zich naar aanleiding van dit conflict bij de onderwijsmanager gemeld en, verwijzend naar volgens appellante door deze docent ten opzichte van haar gebruikte bewoordingen, die zij als bedreigend heeft ervaren, te kennen gegeven niet meer met de betrokken docent te maken willen hebben. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante bij de examencommissie een verzoek had moeten indienen om die docent haar niet meer te laten beoordelen. Het College kan verweerder hierin niet volgen. Appellante heeft bij de onderwijsmanager immers te kennen gegeven niet meer met die docent te maken willen hebben.
Onduidelijk is gebleven wat de onderwijsmanager hiermee heeft gedaan en in hoeverre de examencommissie hiervan op de hoogte was of had kunnen zijn. Dit komt voor risico van de opleiding.
Het betoog slaagt.

Downloads