Skip content

2018/073/CBE

Beroep tegen de beslissing van het CBE van Hogeschool Inholland waarbij het administratief beroep van appellante tegen de weigering van de Examencommissie Lerarenopleidingen voor de tweede graad om haar vrijstelling te verlenen voor een praktijkonderzoek, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/073
Zittingsdag: Vrijdag 29 juni 2018 middag
Datum uitspraak: 16-07-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.3.1 Het College stelt voorop dat de beoordeling of appellante genoegzaam heeft aangetoond dat zij beschikt over de kennis en vaardigheden die zijn vereist om in aanmerking te komen voor verlening van de gevraagde vrijstelling, een beoordeling van het kennen en kunnen van appellante inhoudt. Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gelezen in samenhang met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, kan geen beroep worden ingesteld tegen een beslissing inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van het CBE een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat voor een inhoudelijke beoordeling of appellante voldoet aan de vereisten die zijn gesteld voor het vak Praktijkonderzoek afstudeerfase, en dus ook voor de mogelijkheid van een vrijstelling daarvoor, in deze procedure geen ruimte bestaat.
2.3.2 Het CBE is terecht tot het oordeel gekomen dat de beslissing van de examencommissie zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. Bij het vak Praktijkonderzoek afstudeerfase dient de student de hele onderzoekscyclus van een praktijkonderzoek te doorlopen. Het vak Praktijkonderzoek afstudeerfase is gericht op het verbeteren van een verlegenheidssituatie (een vraagstuk) in de eigen onderwijspraktijk. Het onderzoek dient relevant en bruikbaar te zijn voor de onderwijspraktijk en de onderwijsinstelling van de opleiding. De onderzoeksrapportage geldt als bewijs voor het onderzoekend vermogen en de onderzoeksvaardigheid van de student op hbo-bachelorniveau. Appellante heeft stukken overgelegd inzake een praktijkonderzoek in het basisonderwijs en haar scriptie voor de masteropleiding Pedagogische Wetenschappen. De examencommissie heeft gemotiveerd uiteengezet dat met deze stukken niet is aangetoond dat appellante beschikt over de specifieke competenties die met het vak Praktijkonderzoek afstudeerfase worden getoetst. Het praktijkonderzoek in het kader van vak Praktijkonderzoek afstudeerfase dient op het niveau van het voortgezet onderwijs te zijn verricht, terwijl het praktijkonderzoek van appellante op het niveau van het basisonderwijs is verricht. Verder betreft de scriptie van appelante een wetenschappelijk onderzoek, terwijl het in het desbetreffende vak gaat om het verrichten van praktijkonderzoek. De door appellante overgelegde stukken van haar werkgever houden geen verband met het verrichten van praktijkonderzoek. Het College ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellante ongelijkwaardig is behandeld. Appellante heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Verder merkt het College op dat in de beslissing van het CBE staat dat het docent-lid [Naam 1] is vervangen omdat was gebleken dat één van de
gemachtigden van de examencommissie en het docent-lid [Naam 1] familie waren van elkaar. Verder volgt uit de dossierstukken dat de examencommissie heeft onderkend dat appellante over onderzoeksvaardigheden beschikt, maar tevens dat de examencommissie van oordeel is dat de door appelante verrichte onderzoeken niet voldoen aan de specifieke eisen die in het kader van het vak Praktijkonderzoek afstudeerfase worden gesteld. Voor zover appellante zich – onder verwijzing naar het geval van haar medestudente - beroept op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit niet. Er is geen sprake van een rechtens vergelijkbaar geval, nu de onderzoeken van de medestudent op andere onderwerpen waren gericht en voor de medestudent, anders dan voor appellante, wel een positief advies over de vrijstelling was uitgebracht. De beroepsgrond faalt.

Downloads