Skip content

2018/109

Beroep tegen de beslissing van de Universiteit Maastricht waarbij het bezwaar van appellant tegen de beslissing hem op grond van de selectieprocedure niet toe te laten tot de opleiding Geneeskunde, ongegrond is verklaard.

Zaaknummer: 2018/109
Zittingsdag: Donderdag 2 augustus 2018
Datum uitspraak: 06-08-2018
Trefwoorden:
Artikelen:

Hoofdoverwegingen:

2.4. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2016 in zaak nr. 2016/126 en 2016/126.1; www.cbho.nl) behoort het tot de taak en de deskundigheid van de door het instellingsbestuur ingestelde selectiecommissie om aan de hand van de vooraf bekendgemaakte criteria volgens de voorgeschreven procedures motivaties te beoordelen. De selectiecriteria en de “toelichting bij de selectie en het online portfolio” zijn vooraf bekend gemaakt. Het College heeft reeds eerder overwogen (uitspraak van 25 juli 2011 in zaak nr. 2011/085; www.cbho.nl) dat niet in strijd met de wet noch onredelijk is dat het CvB de weging van de door de kandidaten in de selectieprocedure opgevoerde kwalificaties en activiteiten niet bekend maakt, om calculerend gedrag te voorkomen. Het College ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat de selectieprocedure en wijze waarop de score tot stand komt onvoldoende transparant zijn.
2.5. Uit de “toelichting bij de selectie en het online portfolio” blijkt dat bij “onderscheidende activiteiten” slechts punten worden toegekend voor topsport. Niet in geschil is dat appellant geen topsport zoals in de toelichting omschreven, heeft bedreven. De selectiecommissie heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de door appellant verrichte sportactiviteiten geen punten kunnen worden toegekend, omdat deze activiteiten niet in belangrijke mate van die van andere kandidaten die intensief sport beoefenen zijn te onderscheiden. Van het grote aantal kandidaten dat aan de selectie meedeed, zal immers een ruim aantal omvangrijke sportactiviteiten hebben verricht.
Het CvB heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het door appellant behaalde certificaat van het “Cambridge English Language Assessment” is meegewogen, nu hij dat als bijlage bij zijn portfolio had gevoegd. Volgens het CvB kunnen daar echter geen punten voor worden toegekend, nu dit certificaat niet is voorzien van aanvullend bewijs zoals een verklaring van de middelbare school hoeveel studie-uren aan de activiteit zijn besteed. Appellant heeft in beroep bij het College alsnog een zodanige verklaring van zijn middelbare school overgelegd. De door het College te beantwoorden vraag is of appellant moest begrijpen dat hij de verklaring vóór 22 januari 2018, 16.00 CET, had moeten uploaden.
In het door kandidaten in te vullen portfolio komen bij “vooropleiding” aan de orde welke diploma’s zijn behaald en wanneer, de cijferlijst van het overgangsrapport 5 – 6 vwo, extra vakken die zijn gevolgd behorend tot het vwo-eindexamen, extra studiebelasting in verband met tweetalig onderwijs en overige opleidingen op HBO- of WO-niveau. Bij de onderdelen extra vakken (Q 13 – Q15) en extra studiebelasting in verband met tweetalig onderwijs (Q16 – Q19) is vermeld dat als bewijs dient te worden bijgevoegd een door de middelbare school overgelegde en ondertekende verklaring van het aantal extra studie-uren dat aan de activiteit is besteed. Het door appellant behaalde certificaat van het “Cambridge English Language Assessment” betreft geen extra vak waarin hij eindexamen heeft gedaan. Ter zitting van het College heeft appellant toegelicht dat hij geen tweetalig onderwijs heeft gevolgd, zodat het behaalde certificaat evenmin als extra studiebelasting in verband met tweetalig onderwijs kan worden
aangemerkt. Uit het portfolio noch de toelichting daarop blijkt bij welk onderdeel van “vooropleiding” appellant het certificaat had kunnen indienen. Het door het CvB in de beslissing van 14 mei 2018 ingenomen standpunt dat appellant had moeten begrijpen dat het certificaat bij “vooropleiding” had kunnen worden ingediend, voorzien van een verklaring van zijn middelbare school van het aantal extra studie-uren dat daaraan is besteed, vindt onvoldoende steun in het portfolio en de toelichting.
Het betoog slaagt.
2.6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat de beslissing van 14 mei 2018 voor vernietiging in aanmerking komt.
Het College ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van die beslissing in stand te laten. Ter zitting is namens het CvB toegelicht dat de score die appellant zou hebben behaald indien het certificaat van het “Cambridge English Language Assessment” en de door appellant in beroep overgelegde verklaring van zijn middelbare school worden meegewogen, minder is dan de score van 59,70% die minimaal moet zijn behaald om te worden toegelaten tot de tweede ronde. Het College ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Ook als appellant de verklaring bij het portfolio zou hebben ingeleverd, zou hij dus niet zijn toegelaten tot de tweede ronde. Dat is reden voor het College om de rechtsgevolgen van de bestreden
beslissing in stand te laten. Het CvB hoeft appellant daarom niet alsnog voor de tweede ronde uit te nodigen. Het College geeft het CvB, vanwege het belang van het tijdig indienen van relevante informatie en het buiten beschouwing laten van niet tijdig ingediende gegevens, in overweging bij de decentrale selectie voor het volgend studiejaar duidelijker aan te geven waar in het portfolio en voorzien van welk bewijs een extra activiteit zoals
een behaald taalcertificaat door een kandidaat kan worden ingediend.

Downloads