Uitspraak in zaak 2014/002/CBE

Bestreden beslissing

Beroep tegen de beslissing van de Hogeschool Utrecht, waarbij het college van bestuur het bezwaar van appellant tegen intrekking van zijn inschrijving voor het studiejaar 2012-2012 en de annulering van zijn inschrijving voor de studiejaren 2004-2005 tot en met 2011-2011-2012 ongegrond heeft verklaard.

Uitspraak CBHO

Het beroep is ongegrond

zie ook; 2014/002.1/CBE

Hoofdoverwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna:WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de WHW, gelezen in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan de voorzitter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3.    Artikel 7.8b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek(hierna: de WHW) luidt:

“Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.”

Het tweede lid luidt:

“Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.”

Ingevolge artikel 4.14 van het Studentenstatuut van de Hanzehogeschool (hierna: het Statuut) wordt voor een voltijd- duale of deeltijdopleiding met een totale studielast van 240 studiepunten een afwijzing aan het studieadvies verbonden bij studenten die na vier onderwijsperiodes, de tentamenperiode daarin begrepen, minder dan vier vijfde deel van de studielast van het propedeutische programma hebben behaald. Tevens kan aan de student een afwijzend studieadvies worden uitgebracht zolang hij het propedeutische programma niet heeft behaald.

Ingevolge artikel 4.16 van het Statuut kan de student een beroep doen op persoonlijke omstandigheden bij het niet voldoen aan de studievoortgangsnorm bij het afwijzend studieadvies.

2.4.    Vast staat dat verzoeker na 12 onderwijsperiodes niet heeft voldaan aan het vereiste het propedeutisch programma te hebben behaalt. Tevens staat vast dat de examencommissie verzoeker gelet op zijn persoonlijke omstandigheden gedurende de propedeuse extra herkansingen heeft gegeven.

2.5.    Nu niet is weersproken door verzoeker dat hij extra kansen heeft gehad, kan niet staande worden dat onvoldoende rekening is gehouden met de situatie van verzoeker. Dat de examencommissie verzoeker nog de mogelijkheid heeft geboden in september 2013 toe te staan, vloeit voort uit de aanspraak die verzoeker daarop had en doet geen afbreuk aan het bindend afwijzend studieadvies.

Het betoog van verzoeker faalt.