Uitspraak in zaak 2014/001/CBE

Bestreden beslissing:

Beroep tegen de beslissing van CBE Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN), waarbij het beroep van appellant tegen de besllissing van de examencommissie instituut HAN Sport en Bewegen hem een bindend negatief studieadvies te verstrekken, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO,

Het beroep is ongegrond

zie ook: 2014/001.1/CBE

Hoofdoverwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW), gelezen in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

         Ingevolge artikel 7.66, tweede lid, van de WHW, gelezen in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

         Ingevolge artikel 7.8b, eerste lid, brengt het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit of hogeschool iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding.
         Ingevolge het tweede lid kan het instellingsbestuur, onverminderd het eerste lid het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.
         Ingevolge het derde lid kan het instellingsbestuur aan een advies, als bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld.

         Ingevolge het zesde lid stelt het instellingsbestuur ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast.


         Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Onderwijs- en examenregeling 2012-2013 (hierna: OER), ontvangt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving in de propedeutische fase van de examencommissie ISBS (namens de instituutsdirecteur) een schriftelijk studieadvies over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding.

         Ingevolge het tweede lid, kan, onverminderd het bepaalde in lid 1, aan de student een studieadvies uitgebracht worden zolang hij het propedeutisch examen nog niet met goed gevolg heeft afgelegd.

         Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, wordt tot het uitbrengen van een negatief studieadvies aan het einde van het eerste studiejaar van inschrijving voor de propedeuse overgegaan indien de student niet ten minste 45 van de conform het toetsprogramma als volgend uit artikel 4.1 te behalen studiepunten heeft behaald tenzij vanwege inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de student door de examencommissie ISBS (namens de instituutsdirecteur) hiervan wordt afgezien.

         Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, wordt tot het uitbrengen van een negatief studieadvies na het eerste jaar van inschrijving overgegaan indien de student aan het einde van het tweede studiejaar van inschrijving voor de propedeuse het propedeutisch examen niet heeft gehaald tenzij vanwege inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de student door de examencommissie ISBS (namens de instituutsdirecteur) hiervan wordt afgezien.

         Ingevolge het tweede lid is aan het negatief studieadvies een bindende afwijzing voor onbepaalde tijd verbonden (het negatief bindend studieadvies) mits het uitbrengen van een voorlopig advies als bedoeld in artikel 5.2 of 5.4 daadwerkelijk en minimaal 40 werkdagen aan het negatief studieadvies is voorafgegaan. Bij het bepalen van de termijn van minimaal 40 werkdagen moet rekening gehouden worden met de onderwijsvrije dagen conform het vigerende HAN-jaarrooster.

2.2.    Bij de beslissing van 27 september 2013 heeft verzoeker een bindend negatief studieadvies gekregen voor de opleiding Leraar eerste graad in Lichamelijke Opvoeding, omdat hij aan het einde van het tweede jaar van inschrijving niet het propedeutisch examen heeft behaald. Verzoeker heeft 37,5 studiepunten behaald, in plaats van de vereiste 60 studiepunten.

2.3.    Verzoeker betoogt in de eerste plaats dat het bindend negatief studieadvies niet tijdig aan hem is medegedeeld. Verzoeker was al begonnen met het derde studiejaar en het is niet redelijk dat hij alsnog wordt geconfronteerd met een bindend negatief studieadvies. Volgens verzoeker zou naar analogie van artikel 5.3, eerste lid, van de OER ook voor het tweede studiejaar moeten gelden dat een studieadvies aan het einde van het tweede studiejaar wordt afgegeven.

2.3.1   De Examencommissie heeft verzoeker bij brief van 30 augustus 2013 te kennen gegeven dat de afgifte van een definitief studieadvies was uitgesteld tot 1 oktober 2013, omdat hij nog een kans kreeg om het deeltentamen ‘trainingsplan’ van ‘OWE Sport, een gezonde zaak’ af te leggen en omdat de lesvoorbereidingen in het onderdeel ‘stagelessen’ van het deeltentamen ‘stagemap’ nog niet waren nagekeken. In artikel 7.8b, tweede lid, van de WHW is bepaald dat het advies aan de student kan worden uitgebracht zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. Gelet hierop verzet artikel 7.8b, tweede lid, van de WHW zich niet tegen deze, overigens voor verzoeker gunstige, handelwijze van de Examencommissie. Dat appellant zijn derde studiejaar reeds had aangevangen, dient onder de gegeven omstandigheden voor zijn rekening en risico blijven en kan er niet toe leiden dat het CBE de beslissing tot afgifte van een negatief bindend studieadvies reeds om die reden had moeten vernietigen.

         Het betoog faalt.