Uitspraak in de zaak 2014/005/CBE

Bestreden beslissing:

Beroep tegen de beslissing van CBE Universiteit van Amsterdam, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissingen van de examencommissie Faculteit der Rechtsgeleerdheid inzake de beoordeling van het vak European Human met een onvoldoende en het niet verlenen van een extra herkansing voor het vak European Human Rights, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO

Het beroep is ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2. Anders dan appellant betoogt, heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is een beslissing te nemen met betrekking tot het verzoek van appellant aan een examinator om ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur documenten openbaar te maken. Voor zover appellant betoogt dat het CBE ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehouden was alle voor deze zaak relevante stukken op te vragen, heeft het CBE zich op het standpunt gesteld dat alle relevante stukken in het dossier zitten. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dat standpunt naar voren gebracht. Het betoog faalt dan ook.

2.3. Appellant betoogt dat het CBE heeft miskend dat hem ten onrechte het cijfer 5 is toegekend voor het vak European Human Rights. Volgens hem is de (her)beoordeling van de door hem voor dat vak gemaakte case note en het gemaakte tentamen gedaan door examinatoren die vooringenomen en niet kundig zijn.

2.3.1. Ingevolge artikel 7.66 van de WHW, gelezen in samenhang met artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen een beslissing inhoudende een beoordeling van kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.

Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van het CBE een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een zodanige beslissing, die als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat, wat betreft de aan de beslissing van 20 november 2013 ten grondslag liggende beslissing van de examencommissie, door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het CBE zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de WHW, de Awb of enig andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. Voor een inhoudelijke beoordeling van de gemaakte case note en het gemaakte tentamen voor het vak European Human Rights bestaat in deze procedure derhalve geen ruimte.

2.3.2. Wat betreft het betoog dat de betrokken examinatoren vooringenomen zijn, overweegt het College dat dit uitsluitend is gebaseerd op vermoedens van appellant en dat hij geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan twijfel kan bestaan of de examinatoren zonder vooringenomenheid hebben gehandeld. Gelet hierop, ziet het College geen aanleiding om, zoals appellant heeft verzocht, een van de examinatoren als getuige op te roepen en te horen.
Voor zover appellant betoogt dat de examinatoren niet ter zake kundig zijn, overweegt het College dat de desbetreffende docenten uit hoofde van hun aanstelling worden verondersteld kundig te zijn en dat degene die het tegendeel stelt aannemelijk moet maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen. Dat heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat hij een andere docent de herbeoordeling van de case note heeft laten zien en deze van oordeel was dat de herbeoordeling oppervlakkig was, is daarvoor onvoldoende, net als de enkele verklaring van N. Zahedi dat de inhoud van de case note naar zijn oordeel correct leek.
Voor zover appellant zich beklaagt over de wijze van bespreking van het gemaakte tentamen, wordt overwogen dat dit, wat daar ook van zij, niet van belang is voor de vraag of bij de toekenning van het cijfer 5 voor het vak European Human Rights aan de formele voorschriften die bij of krachtens de WHW, de Awb of enig andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. Wat betreft de opmerking van appellant dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen het door hem in geschreven vorm gemaakte tentamen uit te typen ten behoeve van de herbeoordeling, overweegt het College dat er geen rechtsregel is die appellant aanspraak geeft op een herbeoordeling op basis van een naderhand door hem uitgetypte versie van het originele tentamen.
Het betoog faalt.