Uitspraak in de zaak 2014/010/CBE

Bestreden beslissing;

Beroep tegen de beslissing van CBE Hogeschool Inholland, waarbij het beroep van appellante tegen de beslissing van de examencommissie Domein Communicatie, Media en Muziek de verlenging van haar studieresultaten te laten vervallen per 31 augustus 2013, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO;

Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3. Appellante betoogt dat verweerder niet heeft onderkend dat de examencommissie de verlenging van de geldigheidsduur van de door haar behaalde studieresultaten niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot en met 31 augustus 2013. Daartoe voert appellante aan dat deze termijn niet studeerbaar was, omdat zij nog het tentamen Strategie moest herkansen en haar scriptie moest schrijven, terwijl in de zomermaanden geen scriptiebegeleiders aanwezig zijn. Indien de examencommissie na voormelde beslissing van 25 februari 2013, conform de opdracht van verweerder, binnen drie weken opnieuw op haar verlengingsverzoeken had beslist, had zij binnen drie maanden kunnen afstuderen, aldus appellante. Ten slotte voert appellante aan dat niet is gebleken dat de examencommissie rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, te weten dat zij vanwege haar medische situatie studievertraging heeft opgelopen.
Appellante had kunnen en behoren te weten dat het van belang was dat, indien de examencommissie de geldigheidsduur van de door haar behaalde studieresultaten opnieuw zou verlengen, zij zo snel mogelijk zou kunnen afstuderen. Desondanks heeft appellante, zo heeft zij ter zitting bij verweerder verklaard, sinds het indienen van haar verzoek van 24 april 2012 geen studieactiviteiten verricht en heeft zij zich per 1 december 2012 om haar moverende redenen en zonder overleg met de Hogeschool Inholland voor de opleiding uitgeschreven. Dat, naar appellante eerst bij brief van 3 mei 2014 stelt, zij het vak Strategie moest behalen alvorens zij met het schrijven van haar scriptie mocht aanvangen en dat zij het tentamen Strategie eerst in het tweede kwartaal van 2013 kon herkansen, heeft zij niet gestaafd. Onder deze omstandigheden heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet binnen de gegeven termijn had kunnen afstuderen.
Voorts voert appellante ten onrechte aan dat niet is gebleken dat de examencommissie met haar persoonlijke omstandigheden rekening heeft gehouden. De beslissing van 8 mei 2013 is immers op de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden gebaseerd en appellante heeft niet toegelicht waarom deze omstandigheden de examencommissie tot een verdere verlenging van de geldigheidsduur van de door haar behaalde studieresultaten hadden moeten nopen.

2.3.1. Gelet op het vorenstaande, heeft verweerder terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat de examencommissie de verlenging van de geldigheidsduur van de door appellante behaalde studieresultaten niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot en met 31 augustus 2013. De omstandigheid dat de examencommissie niet conform de door verweerder gegeven opdracht binnen drie weken na de uitspraak van 25 februari 2013 opnieuw op de verlengingsverzoeken van appellante heeft beslist, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Dit klemt te meer, nu appellante geen rechtsmiddelen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de examencommissie heeft ingesteld.