Uitspraak in de zaak 2014/011/CBE

Bestreden beslissing:

Beroep tegen de beslissing van CBE Radboud Universiteit Nijmegen, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de examencommissie Politicologie zijn verzoek op opschorting van de Bachelor-in-5 jaar-maatregel niet te honoreren, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO

Het beroep is ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.1 In hetgeen namens het CBE is betoogd over zijn standpunt dat

in onderhavige procedure de examencommissie als verwerende procespartij had moeten worden aangemerkt, ziet het College geen grond terug te komen van hetgeen daarover is overwogen in zijn uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 2011/118 (www.cbho.nl). )

(…)

2.5.1. In de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 maart 2014 is overwogen dat het onrechtmatig is de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens te beperken en tegelijkertijd studenten niet de gelegenheid te bieden voor de vakken waarvan de studiepunten zijn vervallen opnieuw tentamen te doen. Dat is bij de bachelor-in-5-jaar regeling van de bacheloropleiding Politicologie van de Radboud Universiteit Nijmegen niet het geval. Zoals ter zitting door het CBE is toegelicht vervallen uitsluitend de behaalde tentamens van het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding en vervalt de propedeuse niet. Studenten hebben per studiejaar voor elk vak twee tentamenkansen. Dit betekent bij toepassing van de bachelor-in-5-jaar- regeling dat studenten acht kansen hebben om een tentamen te behalen. Na het vervallen van de behaalde tentamens worden zij ook weer in staat gesteld om de vakken opnieuw te doen. Zoals het College reeds heeft overwogen in de uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr. 2013/114 (www.cbho.nl) zijn argumenten als marginale studievoortgang en onvoldoende studieperspectief acceptabel als geldigheidsduur beperkende maatregelen. De tekst van artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder k, van de WHW sluit zodanige uitleg ook niet uit. Dat in de memorie van toelichting iets anders staat, leidt, gelet op de ontwikkelingen in het onderwijs in de afgelopen jaren, niet tot een ander oordeel. Dat mr. P.C. Kwikkers een andere mening is toegedaan dan de minister in de brief van 12 maart 2014, zoals blijkt uit een door appellant overgelegd artikel, biedt evenmin grond voor een ander oordeel. Voorts heeft de wetgever wat betreft de geldigheidsduur van studieresultaten, zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 november 2013 in zaak nr. 2013/085 (www.cbho.nl), gelet op het bepaalde in artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder k, van de WHW, het aan het instellingbestuur gelaten de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens te bepalen. Het College kan slechts beoordelen of de in de OER vastgelegde termijn in dit geval leidt tot een zodanige onredelijke uitkomst dat die in zoverre buiten toepassing moet blijven. Anders dan appellant betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat een termijn van vijf jaar in dit geval onredelijk moet worden geacht. Het CBE heeft ter zitting toegelicht dat bij de bacheloropleiding Politicologie ongeveer tien procent van een cursus per studiejaar verandert. Dit kan de literatuur betreffen, hedendaagse ontwikkelingen die van invloed zijn op de te behandelen leerstof en veranderde inzichten op onderwerpen uit het verleden of over kennisoverdracht en -verwerving. Daarnaast worden de cursussen naar aanleiding van visitaties, die ongeveer eens per vijf jaar plaatsvinden, opnieuw vorm gegeven. Dit houdt in dat de cursussen in vijf jaar tijd voor een aanzienlijk deel veranderen. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de beperking van de geldigheidsduur van de behaalde studieresultaten een redelijk doel dient, dat dit doel voorts overeenstemt met het bepaalde in artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder k, van de WHW en er derhalve geen aanleiding is de in artikel 6.2 van de OER neergelegde bachelor-in-5-jaar regeling buiten toepassing te laten. Voorts kan in het bepaalde in artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder k, van de WHW geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de bachelor-in-5-jaar regeling buiten toepassing dient te worden gelaten, omdat dit als algemene regel is opgesteld. Het betoog faalt.