Uitspraak in de zaak 2014/069/CBE

Bestreden beslissing

Beroep tegen de beslissing van CBE Hogeschool Rotterdam, waarbij het beroep van appellante tegen de beslissing van de voorzitter van de examencommissie Instituut Gezondheidszorg haar niet de studiepunten voor haar assessment toe te kennen, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO:

Het beroep is ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.2 Voornoemde bepalingen staan eraan in de weg dat door het instellen van beroep tegen een beslissing van het CBE een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een beslissing die als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent dat, wat betreft de aan de beslissing van 27 januari 2014 ten grondslag liggende beslissing van de examencommissie van 2 oktober 2013, het College slechts kan beoordelen of het CBE zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de examencommissie geen verbindende voorschriften heeft geschonden en ook overigens niet onzorgvuldig heeft besloten.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen grond voor het oordeel dat in de bestreden beslissing ten onrechte is overwogen dat de examencommissie geen verbindende voorschriften heeft geschonden en ook overigens niet op onzorgvuldige wijze heeft besloten. De criteria aan de hand waarvan het assessment is beoordeeld, zijn neergelegd in de nota "Competentie Assessment HBO-niveau 1", waarin ook is verwezen naar het digitale leersysteem van de hogeschool. Niet weersproken is dat dit stuk aan het begin van het studiejaar aan appellante is uitgereikt. Appellante was derhalve op de hoogte, dan wel moet worden geacht op de hoogte te hebben kunnen zijn van de beoordelingscriteria. Het betoog van appellante dat onduidelijk is op welke wijze de criteria op haar assessment zijn toegepast, is niet nader geconcretiseerd en toegelicht, zodat het reeds hierom niet kan leiden tot het oordeel dat de beslissing van het CBE onjuist is. Ter zitting van het College is door het CBE toegelicht dat tijdens het leerjaar een wijziging van het assessment heeft plaatsgevonden, omdat de hogeschool geen volledige stageplaatsen kon aanbieden. Alle studenten hebben stage gelopen. Daarnaast moesten de studenten ter aanvulling drie klinische lessen inhoudelijk voorbereiden en ten minste één van die lessen ook aan medestudenten geven. Verder is een proefassessment gehouden. Als gevolg van deze wijziging zijn de beoordelingscriteria van het assessment aangepast, in die zin dat deze naar beneden zijn bijgesteld. Appellante heeft in totaal elf dagen stage gelopen bij diverse organisaties. Ook heeft zij bedoelde drie klinische lessen voorbereid en één les aan medestudenten gegeven. Verder is zij als toehoorder bij het proefassessment aanwezig geweest. Ter zitting van het College heeft zij verklaard dat zij de klinische lessen goed heeft afgerond en dat haar stage goed is verlopen. Zij heeft onvoldoende geconcretiseerd en beargumenteerd dat zij direct als gevolg van de wijziging van het assessment onder tijdsdruk is komen te staan en hierdoor de benodigde dertien punten niet heeft kunnen behalen. Het is voor het College dan ook niet aannemelijk geworden dat met de wijziging van het assessment jegens appellante onzorgvuldig is gehandeld.

Het betoog faalt.