Uitspraak in zaak 2015/194.1

Verzoek voorlopige voorziening:

Verzoek om vrijstelling Universiteit van Amsterdam.

Verzoeker betoogt dat hij zou moeten worden vrijgesteld van de verplichting om aan de nadere toelatingseis te voldoen.

Hoofdoverwegingen:

2.4. Verzoeker betoogt dat hij zou moeten worden vrijgesteld van de verplichting om aan de nadere toelatingseis te voldoen. In dit verband heeft hij naar voren gebracht dat hij lang heeft moeten wachten op een reactie van medewerkers van zijn opleiding HBO-rechten over de mogelijkheden om verder te studeren aan een universiteit. Van veranderde regelgeving over overstapmogelijkheden was hem niets bekend. De beschikbare informatie was vaag en verzoeker ging ervan uit dat hem voldoende tijd ter beschikking stond om aan de nadere toelatingseis te voldoen.

2.4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de WHW de mogelijkheid biedt aan aspirant-studenten die niet (rechtstreeks) op grond van artikel 7.24 van de WHW kunnen worden toegelaten tot een opleiding, nadere eisen te stellen. De in dit geval gestelde nadere eis is niet onredelijk en deze is, anders dan verzoeker heeft gesteld, ruim voor aanvang van het studiejaar bekendgemaakt, zodat verzoeker daarmee rekening had kunnen houden. Zou hij zich tijdig van de (nieuwe) regels op de hoogte hebben gesteld, dan zou hij gelegenheid hebben gehad voor aanvang van het studiejaar 2015-2016 aan de nadere eis te voldoen. Dat de onderwijsinstelling waar hij tot 1 augustus 2015 studeerde niet of onvoldoende duidelijk zou hebben gewezen op de gewijzigde regels, betekent niet dat verweerder deze regels bij verzoeker niet zou mogen toepassen.