Uitspraak in zaak 2015/229/CBE

Bestreden beslissing:

Beroep tegen de beslissing van CBE Universiteit Leiden, waarbij het beroep van appellant tegen de beslissing van de bestuursraad van het Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing hem niet toe te laten tot de opleiding leraar VHO in Scheikunde, ongegrond is verklaard.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Heroverwegingen:

2.3.1 De beroepstermijn van de beslissing van 2 juni 2015 liep op 14 juli 2015 af, zodat de beslistermijn eindigde op 23 september 2015. Nu het CBE de beslissing op zijn op 6 juli 2015 ingediende administratief beroep op 14 september 2015 aan appellant heeft verzonden is binnen de wettelijke beslistermijn van 10 weken op zijn administratief beroep beslist. Voorts is door het CBE een voorlopige voorzienig getroffen, zodat appellant kon deelnemen aan de verplichte startweek van de opleiding. Wat betreft de stelling van appellant dat vanuit de opleiding zou zijn gezegd dat hij zich diende te wenden tot de Vrije Universiteit, geldt, naar mevrouw Thomassen heeft toegelicht, dat appellant naar voren had gebracht dat bij de Vrije Universiteit geen taaleis gold en dat hem daarop is uitgelegd dat het hem vrij stond bij die universiteit een lerarenopleiding te volgen. Niet valt in te zien dat met die mededeling in strijd met enige ongeschreven of geschreven rechtsregel is gehandeld door of namens het ICLON.

Het betoog faalt.

2.4 Appellant betoogt dat het CBE heeft miskend dat hij niet kon weten dat voor hem als toelatingsvoorwaarde voor de lerarenopleiding VHO in Scheikunde van het ICLON het behalen van een taaltoets op niveau 6 gold. Hiertoe stelt appellant dat op de website van het ICLON het behalen van een taaltoets op niveau 6 niet is vermeld. Volgens appellant is het onredelijk om van hem het behalen van een taaltoets op dit niveau te eisen, omdat hij stage zal gaan lopen bij een internationale school en hij na het behalen van de lesbevoegdheid uitsluitend op internationale scholen les wil gaan geven. Ook stelt appellant dat andere studenten uit het buitenland niet een taaltoets op niveau 6 hebben hoeven te behalen, maar op niveau 4.

2.4.1    Ter zitting is namens het CBE en door mevrouw Thomassen toegelicht dat van studenten die les willen geven op het voortgezet onderwijs in artikel 5.3 van de OER wordt vereist dat zij het Nederlands voldoende beheersen, omdat in artikel 6a van de Wet op het voortgezet onderwijs is bepaald dat het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Verder is uiteengezet dat de vraag of studenten die willen worden toegelaten tot de lerarenopleiding aan het ICLON het Nederlands voldoende beheersen blijkt uit het bezit van een diploma van het voortgezet onderwijs in Nederland of door het behalen van een Nederlandse taaltoets. Die toets vindt plaats door middel van het Toelatingsexamen Universiteit Leiden-gevorderd (hierna: “TUL-gevorderd”) van het Academisch Talencentrum van de Universiteit Leiden. Uitgelegd is dat de taaltoets op niveau 6 hetzelfde is als de toets “TUL-gevorderd” en dat met ingang van het studiejaar 2015-2016 voor de aanduiding van de taaltoets op niveau 6 de aanduiding “TUL-gevorderd” wordt gebruikt.

Nu voorafgaand aan de start van de opleiding op de website van het ICLON was vermeld dat studenten toelaatbaar zijn, indien zij een goede beheersing van de Nederlandse taal hebben en dat dit wordt getoetst door middel van het “TUL-gevorderd” wist appellant of kon hij in elk geval weten dat hij die toets, die overeenkomt met de taaltoets op niveau 6, diende te behalen alvorens hij zou worden toegelaten tot de lerarenopleiding. Ook is door mevrouw Thomassen onweersproken gesteld dat meermalen uitgebreid met appellant is gesproken over de vereiste taaltoets, het niveau daarvan en de benodigde voorbereidingstijd voor het behalen van die toets tijdens een intakegesprek in april 2015. Gelet hierop kan appellant dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat voor hem niet kenbaar was dat hij een toets gelijkwaardig aan het niveau 6 diende te behalen als toelatingsvoorwaarde voor de lerarenopleiding aan het ICLON. Het College is verder van oordeel dat die voorwaarde niet onredelijk en onbegrijpelijk is, nu voor het geven van onderwijs in het voortgezet onderwijs het noodzakelijk is dat leraren de Nederlandse taal goed beheersen om gesprekken met leerlingen, ouders en andere docenten te kunnen voeren. Dat appellant, naar hij stelt, stage zal lopen bij een internationale school en ook na zijn afstuderen van plan is om uitsluitend op internationale scholen les te gaan geven, leidt niet tot een ander oordeel. Het behalen van het diploma geeft lesbevoegdheid in het Nederlands voortgezet onderwijs en daaraan is inherent dat docenten de Nederlandse taal op een bepaald niveau beheersen. Daarom gelden voor het verkrijgen van de Nederlandse lesbevoegdheid wettelijke vereisten, waaronder een goede beheersing van de Nederlandse taal. Dit vereiste geldt ook voor docenten die les geven op internationale scholen in Nederland.

Tenslotte heeft mevrouw Thomassen ter zitting gesteld dat in ieder geval vanaf dit studiejaar iedere student die niet in het bezit is van een in Nederland behaald diploma van het voortgezet onderwijs de “TUL-gevorderd”, zijnde de taaltoets op niveau 6, dient te behalen. Appellant kan daarom evenmin worden gevolgd in zijn niet met nader bewijs onderbouwde stelling dat er studenten zijn die niet uit Nederland komen die niet de taaltoets op niveau 6, maar op niveau 4 als toelatingsvoorwaarde hebben gedaan.

Het betoog faalt.