Uitspraak CBHO 2018/180

Bestreden beslissing:

De Examencommissie van de opleiding HBO-ICT heeft namens het instellingsbestuur aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van de De Haagse Hogeschool heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO

Het beroep is ongegrond.

Hoofdoverwegingen:

2.5. Appellant heeft een uitdraai van 29 oktober 2018 van aantekeningen van zijn huisarts overgelegd. Hieruit blijkt dat hij op 23 januari 2018 bij de huisarts is geweest in verband met terugkomende rugklachten, op 26 januari 2018 een röntgenfoto is gemaakt en op 23 februari 2018 aan appellant is medegedeeld dat een operatie niet nodig is, maar oefentherapie wordt geadviseerd. In maart 2018 is aangevangen met oefentherapie/houdingstherapie. Het College stelt vast dat uit deze uitdraai van aantekeningen van de huisarts van appellant weliswaar blijkt dat hij rugklachten heeft, doch niet of en in welke mate deze klachten invloed hebben (gehad) op zijn studieresultaten. Hiermee heeft appellant dus niet aannemelijk gemaakt dat de achterblijvende studieresultaten het gevolg zijn van zijn rugklachten. Appellant heeft pas in september 2018 de studentendecaan over zijn rugklachten geïnformeerd. Als de rugklachten appellant in het tweede en derde blok beperkten bij het studeren, had hij deze omstandigheid op dat moment ook moeten melden bij de studentendecaan. Appellant behoorde hiermee bekend te zijn, nu dit volgt uit artikel 7.5 van de OER en aan het begin van het studiejaar voorlichting is gegeven over de verschillende rollen van de studieloopbaanbegeleider en de studentendecaan. Doordat appellant de rugklachten niet tijdig bij de studentendecaan heeft gemeld, heeft deze geen causaal verband tussen de klachten en het achterblijven van de studieresultaten kunnen vaststellen. Ook is daardoor aan de instelling de mogelijkheid ontnomen om appellant te begeleiden bij de studievoortgang en voorzieningen te bieden.
Ter zitting van het College is namens de examencommissie stellig bestreden dat er voor het vak ISM-IRM nauwelijks les zou zijn gegeven. Dit is nagevraagd bij de vakcoördinator. Afhankelijk van welke docent appellant had, kan het wel zo zijn dat een les is uitgevallen. Ter zitting van het CBE is toegelicht dat het vak ISM-IRM is behaald door een gebruikelijk percentage van de studenten. Daarom is geen aanleiding gezien een extra herkansing aan te bieden. Verder heeft de examencommissie verklaard dat voor het vak ISM-ISM1 een extra herkansing en een extra voorbereidende les zijn aangeboden. Het College ziet onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de mogelijkheden voor een goede studievoortgang onvoldoende waren gewaarborgd.
Het CBE heeft derhalve terecht geoordeeld dat de examencommissie appellant een BNSA mocht geven.
Het betoog faalt.