Uitspraak in zaak 2018/163/CBE

Bestreden beslissing

De Examencommissie van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde heeft het (her-)tentamen Financial Accounting Research ongeldig verklaard en appellante uitgesloten van alle tentamens in de periode 22-3-2018 tot en met 31-8-2018 en tevens van herkansing van het desbetreffende vak in het academisch jaar 2018-2019.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen de beslissing van de Examencommissie ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van het CBE is beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. De bij de beslissing van 22 maart 2018 aan appellante opgelegde sanctie is een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Ingevolge artikel 5:9 van de Awb vermeldt de beslissing tot het opleggen van een dergelijke sanctie in ieder geval de overtreding en het overtreden voorschrift.

In de beslissing van 22 maart 2018 is niet de overtreding vermeld die appellante zou hebben gepleegd. Onder overtreding wordt ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb verstaan een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. De beslissing van 22 maart 2018 vermeldt als grond voor de opgelegde sanctie de grote overeenkomst van het werk van appellante met dat van een medestudent. Voorts vermeldt de beslissing als conclusie van de examencommissie dat appellante plagiaat heeft gepleegd en zij daarom in strijd met de Regeling heeft gehandeld. In administratief beroep heeft de examencommissie te kennen gegeven dat de vermelding van plagiaat onjuist is en dat daarvoor fraude als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder a en b, van de Regeling moet worden gelezen. Verweerder heeft dit gebrek in de beslissing van 22 maart 2018 ten onrechte als een kennelijke verschrijving gepasseerd. Bij het toetsen van een bestuurlijke sanctie moet vanuit een oogpunt van rechtszekerheid groot belang worden gehecht aan de kenbaarheid voor de gesanctioneerde persoon van de tegengeworpen overtreding. Dit geldt te meer indien, zoals in dit geval, de opgelegde sanctie een bestraffende sanctie is als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. In dit geval is pas in administratief beroep duidelijk geworden welke overtreding appellante volgens de examencommissie heeft begaan. Voor herstel van het gebrek in de beslissing van 22 maart 2018 bestond in het administratief beroep, bedoeld in artikel 7.61 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, geen ruimte. Verweerder had het administratief beroep daarom gegrond moeten verklaren en die beslissing moeten vernietigen.
In zoverre slaagt het betoog.