Uitspraak in zaak 2018/202/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft namens de decaan aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding International Business Administration.

Het CBE van de Universiteit van Tilburg heeft het administratief beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE stelt appellant beroep in bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om te oordelen dat het CBE een onjuist oordeel heeft gegeven. Vast staat dat appellant aan het einde van het studiejaar 2017-2018 niet aan de studievoortgangsnorm van het behalen van 70% van studiepunten van de openstaande propedeuse vakken, heeft voldaan. Voor zover appellant beoogt te stellen dat deze aangepaste norm niet mocht worden gesteld, volgt het CBHO deze stelling niet. De norm is in lijn met artikel 4.3, achtste lid van de OER en artikel 7.8b, tweede lid, van de WHW. Verder is niet betwist dat appellant in het studiejaar 2017-2018 geen persoonlijke omstandigheden bij de studentendecaan heeft gemeld. Appellant wist dan wel behoorde ervan op de hoogte te zijn dat persoonlijke omstandigheden tijdig aan de studentendecaan moesten worden gemeld. Dit geldt temeer nu appellant aan het einde van het studiejaar 2016-2017 uitstel van het geven van het bindend studieadvies heeft gekregen en hij in de uitstelbrief van 22 augustus 2017 nadrukkelijk erop is gewezen dat mochten zich in de toekomst bijzondere omstandigheden voordoen die van invloed zijn op zijn studievoortgang, appellant deze tijdig en op de voorgeschreven wijze moest melden bij de studentendecaan. Het lag derhalve op de weg van appellant om tijdig eventuele persoonlijke omstandigheden te melden en studiebegeleiding in te roepen. Dat hij dit niet heeft gedaan, dient voor zijn rekening en risico te komen. Daar komt bij dat appellant zijn gestelde persoonlijke omstandigheden ook niet aannemelijk heeft gemaakt nu hij deze niet met stukken heeft gestaafd. Uit de studieresultaten van appellant lijkt verder te kunnen worden afgeleid dat hij in het tweede studiejaar geen prioriteit heeft gegeven aan het behalen van propedeusevakken terwijl hij in eerdergenoemde brief van 22 augustus 2017 nadrukkelijk erop is gewezen dat het hem is toegestaan een deel van de tweedejaarsvakken te volgen en af te ronden maar dat hij voorrang moest geven aan de afronding van het eerste jaar. Ook dit dient voor rekening en risico van appellant te komen. Uit de studieresultaten van appellant kan verder niet worden opgemaakt dat hij in het tweede semester minder goed heeft gepresteerd als gevolg van persoonlijke omstandigheden. Appellant heeft in zowel het eerste als het tweede semester van het studiejaar 2017-2018 drie vakken, waarvan één eerstejaarsvak, behaald. In zijn verweerschrift van 8 januari 2019 en ter zitting van het College heeft het CBE toegelicht dat het argument dat appellant moeite zou hebben met het behalen van de kwantitatieve vakken, niet ten grondslag ligt aan het BNSA. Derhalve gaat het College niet in op hetgeen appellant op dit punt heeft aangevoerd.
Het betoog faalt.