Uitspraak in zaak 2019/006.5/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie Verloskunde heeft het verzoek om een herkansing van de stage te mogen  lopen bij het Haagsch Geboortehuys afgewezen.

Het CBE van Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. De examencommissie heeft toegelicht dat een verzoek om afwijking van het uitgangspunt dat stage 4.2 niet op dezelfde stageplek plaatsvindt als stage 3.2 alleen in overweging wordt genomen indien er een duidelijk zwaarwegend belang is. Dat een zwaarwegend belang bestaat dient te worden ondersteund door een decaanverklaring. In beroep bij het College zijn namens de opleiding, de examencommissie en het CBE stukken ingebracht waaruit blijkt dat de studentendecaan in september en oktober 2018 appellante heeft bericht nog geen decaanverklaring te kunnen opmaken, omdat daarvoor een verklaring van haar psycholoog nodig is waaruit blijkt dat de stageplaats bij 't Haagsch Geboortehuys gezien de omstandigheden noodzakelijk is voor haar leerproces. Op 15 november 2018 heeft de studentendecaan aan de examencommissie laten weten dat zij het verzoek van appellante inhoudelijk niet kan ondersteunen. Appellante betoogt terecht dat uit de beslissing van 17 september 2018 evenwel kan worden afgeleid dat een ondersteunende verklaring van de studentendecaan bestaat, omdat daarin melding wordt gemaakt van een ondersteunende decaanverklaring en daaruit blijkt dat haar verzoek in overweging is genomen.

Verder heeft de examencommissie toegelicht dat aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag ligt dat twee docenten, van wie één lid is van het stageteam en één lid is van de stagebeoordelingscommissie, onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat 't Haagsch Geboortehuys in de situatie van appellante moeite zou hebben om begeleiden en beoordelen te scheiden. Volgens de examencommissie heeft dit onderzoek bij de twee docenten mondeling plaatsgevonden, zodat hiervan geen stukken beschikbaar zijn. Appellante betoogt terecht dat deze motivering, die niet op enigerlei wijze met stukken is gestaafd, zodanig summier is, dat de examencommissie hiermee ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat 't Haagsch Geboortehuys voor haar niet geschikt is voor een herkansing van de stage 4.2.

Gelet op het voorgaande heeft het CBE niet onderkend dat in de beslissing van 17 september 2018 niet deugdelijk is gemotiveerd dat aanleiding bestaat het verzoek van appellante om herkansing van de stage 4.2 bij 't Haagsch Geboortehuys af te wijzen. Het CBE heeft het beroep van appellante daarom ten onrechte ongegrond verklaard.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat de beslissing van het CBE van 21 december 2018 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen het CBE had moeten doen, zal het College het door appellante bij het CBE ingestelde administratief beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing van 17 september 2018 vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing van 17 september 2018 in stand te laten.

2.6. Ten aanzien van het betoog van appellante dat de aan haar aangeboden alternatieve stageplekken in Nunspeet en Katwijk niet geschikt zijn, geldt dat het niet tot de verantwoordelijkheid van de examencommissie of het CBE behoort om voor haar een geschikte stageplaats te vinden.

Wat betreft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel heeft de examencommissie uiteengezet dat de door haar genoemde student inderdaad in het vierde studiejaar stage heeft gelopen op een eerder stageadres, maar dat die eerdere stage niet in het derde studiejaar heeft plaatsgevonden. Verder heeft de examencommissie toegelicht dat uit onderzoek in het stageplanningssysteem is gebleken dat de afgelopen jaren niet door een student zowel in het derde jaar als in het vierde jaar een stage bij hetzelfde adres is uitgevoerd. Derhalve faalt het betoog van appellante dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Ter zitting van het College heeft het CBE uitgelegd dat geen ondersteunende verklaring van de studentendecaan beschikbaar is. Het CBE heeft toegelicht dat de studentendecaan de vraag of persoonlijke omstandigheden speelden bij appellante bevestigend heeft beantwoord, maar dat de studentendecaan het verzoek van appellante niet met een verklaring inhoudelijk heeft ondersteund. Daartoe wijst het CBE op de in beroep bij het College ingebrachte stukken. Gelet hierop is alsnog voldoende verduidelijkt dat, hoewel de beslissing van 17 september 2018 melding maakt van een ondersteunende decaanverklaring, geen verklaring door de studentendecaan is afgegeven die het verzoek van appellante daadwerkelijk inhoudelijk ondersteunt.

In beroep bij het College zijn namens de opleiding, de examencommissie en het CBE stukken ingebracht waarin het stageteam zijn standpunt heeft toegelicht dat 't Haagsch Geboortehuys voor appellante niet geschikt moet worden geacht om de herkansing van de stage 4.2 te lopen. Uit die stukken blijkt dat bij 't Haagsch Geboortehuys sinds het studiejaar 2013-2014 maximaal drie studenten per jaar stage hebben gelopen en dat er in die periode door één student een stage 4.2 is uitgevoerd onder het oude curriculum. Verder wordt toegelicht dat de inzet is om studenten te plaatsen in praktijken vanaf 20 uitgerekende zwangeren, maar dat het aantal uitgerekende zwangeren bij 't Haagsch Geboortehuys 15 tot 20 is. Bovendien vindt de stagebegeleiding bijna geheel door één verloskundige plaats. Hiermee is alsnog deugdelijke gemotiveerd dat 't Haagsch Geboortehuys niet geschikt is als stageadres voor de herkansing van de stage 4.2 door appellante.

Gelet op het voorgaande is het verzoek van appellante om een herkansing voor de stage 4.2 bij 't Haagsch Geboortehuys te lopen terecht afgewezen.