Uitspraak in zaak 2018/196/CBE

Bestreden beslissing:

De directeur van het Domein Gezondheid, sport en Welzijn heeft namens het instellingsbestuur appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Maatschappelijk werk en dienstverlening.

Het CBE van Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

Het geschil in beroep

  1. Horen

    […]

    2.2.1. Op grond van artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het beroepsorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, alvorens het op het beroep beslist. Appellante is uitgenodigd voor een hoorzitting op 27 september 2018. Zij heeft niet aangegeven op die datum verhinderd te zijn. Ter zitting van verweerder is de gemachtigde van appellante verschenen, maar appellante zelf niet. Gemachtigde van appellante heeft tijdens de hoorzitting gemeld dat hij appellante niet telefonisch kon bereiken, ondanks diverse pogingen daartoe. Appellante is vervolgens na afloop van de hoorzitting alsnog verschenen, zonder opgaaf van redenen voor het te laat komen. Zowel haar gemachtigde als de vertegenwoordiger van de opleiding waren echter al vertrokken. Deze door appellante in het leven geroepen situatie dient voor haar rekening en risico te blijven. Naar het oordeel van het College heeft verweerder artikel 7:16, eerste lid, van de Awb niet geschonden.

  2. Het bindend negatief studieadvies

    […]

    2.3.1. Wat betreft de beslissing van verweerder het bindend negatief studieadvies bij zijn beslissing van 27 september 2018 in stand te laten, stelt het College voorop dat aan appellante op grond van het bepaalde in artikel 7.8b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW,) slechts een bindend negatief studieadvies kan worden geven, indien zij met inachtneming van haar persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat de studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarover zijn vastgesteld.

    Appellante diende, zoals volgt uit de beslissing van 6 september 2017, het eerstejaarsprogramma af te ronden in het studiejaar 2017-2018. Dat betekende voor appellante dat zij nog 10 credits moest behalen. De persoonlijke omstandigheden waarmee verweerder rekening kan houden, zijn opgesomd in artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. Uit die bepaling volgt dat onder andere rekening kan worden gehouden met bijzondere familieomstandigheden. Op grond van artikel 17 van de Onderwijs- en examenregeling moet een student, indien zich een persoonlijke omstandigheid voordoet die kan leiden tot studievertraging, daarvan zo spoedig mogelijk melding doen bij een studentendecaan.

    2.3.2. Appellante heeft gesteld dat zij te kampen heeft gehad met bijzondere familieomstandigheden. Zij werd naar haar zeggen gestalkt door haar ex-vriend en haar zoontje ondervindt leerproblemen. Zij heeft van deze persoonlijke omstandigheden geen melding gemaakt bij de studentendecaan, noch bij haar studiebegeleider. Deze omstandigheden heeft zij pas naar voren gebracht tijdens het hoorgesprek op 2 juli 2018 in het kader van de besluitvorming door de domeindirecteur over het bindend negatief studieadvies. Ter onderbouwing van deze omstandigheden heeft appellante een verklaring van een vriendin overgelegd en een brief van de huisarts. Verweerder heeft in dit kader toegelicht dat de late melding van de persoonlijke omstandigheden ertoe heeft geleid dat de decaan geen verklaring heeft kunnen afgeven over de persoonlijke omstandigheden en in hoeverre deze omstandigheden hebben geleid tot de opgelopen studievertraging. Daarbij heeft verweerder ook van belang geacht dat appellante, vanwege het feit dat haar al meermaals een extra termijn is gegeven om het eerstejaarsprogramma af te ronden, op de hoogte was van het feit dat zij haar omstandigheden tijdig moest aankaarten. Dat is ook nog eens vermeld in de beslissing van 6 september 2017. Zij heeft bovendien, zo heeft verweerder toegelicht, met haar studiebegeleider in september 2017 een studieplan opgesteld, waarmee zij haar propedeuse binnen afzienbare termijn had kunnen afronden. Zij heeft daarna, aldus verweerder, geen lessen meer gevolgd en geen gebruik gemaakt van de aangeboden ondersteuning, ondanks regelmatige pogingen van drie docenten om per e-mail contact met appellante te krijgen. 

Naar het oordeel van het College heeft verweerder de beslissing van de domeindirecteur van 20 juli 2018 waarbij aan appellante een bindend negatief studieadvies is gegeven, onder deze omstandigheden op goede gronden in stand gelaten. Het lag op de weg van appellante om haar persoonlijke omstandigheden tijdig bij de decaan te melden, zodat de studentendecaan met appellante studieafspraken had kunnen maken en de studievoortgang van appellante had kunnen monitoren. Dat appellante het, zoals ter zitting van het College naar voren is gebracht, moeilijk vindt om over haar persoonlijke problemen te praten, leidt niet tot een ander oordeel. In het verleden heeft appellante overigens ook de weg naar de studentendecaan weten te vinden. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming bovendien terecht rekening gehouden met het feit dat appellante, die in het studiejaar 2014-2015 is begonnen met de opleiding, in het studiejaar 2017-2018 geen enkel propedeusevak heeft behaald. Uit een memo van de teamleider van de opleiding blijkt in dit verband dat appellante in het studiejaar 2017-2018 in totaal 6 toetsen heeft gemaakt die allemaal met een onvoldoende zijn beoordeeld. Ook heeft verweerder terecht meegewogen dat appellante weinig credits uit het tweede en derde studiejaar heeft behaald. De stelling van appellante dat de beslissing van verweerder op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, deelt het College niet.