Uitspraak in zaak 2018/186

Bestreden beslissing:

Het college van bestuur van de Hanzehogeschool Groningen heeft afwijzend beslist op het verzoek om restitutie van het collegegeld over het studiejaar 2017-2018.

Tegen die beslissing heeft appellant bezwaar gemaakt; het college van bestuur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de laatste beslissing van het CvB heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.5. In artikel 7.48 van de WHW is vastgelegd wanneer de student aanspraak heeft op terugbetaling van het wettelijk collegegeld. Dit is een uitputtende regeling. Dit betekent dat een onderwijsinstelling het wettelijk collegegeld alleen mag verminderen of een student daarvan mag vrijstellen in de in artikel 7.48, vijfde lid, van de WHW vermelde gevallen. Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in dat artikellid wordt aangemerkt als niet doelmatige besteding van de rijksbijdrage, als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid. Dat betekent dat de instelling in een dergelijk geval geen bekostiging ter grootte van het niet inrekening gebrachte collegegeld van het Rijk ontvangt.
De situatie van appellant valt niet onder één van de in artikel 7.48, vijfde lid, van de WHW vermelde gevallen. Dit heeft tot gevolg dat de WHW geen rechtsgrond bevat op grond waarvan het CvB het verzoek van appellant tot terugbetaling van het door hem betaalde collegegeld vanaf september 2017 kon inwilligen. Omdat er geen wettelijke mogelijkheden zijn op grond waarvan appellant aanspraak kan maken op terugbetaling van het collegegeld heeft het CvB het verzoek van appellant terecht afgewezen.

2.6. Over het betoog van appellant dat hij de door het CvB naar voren gebrachte feiten en omstandigheden die zich tijdens zijn studieloopbaan zouden hebben voorgedaan niet heeft kunnen nagaan omdat hij geen toegang meer had tot zijn studentenaccount, heeft het CvB toegelicht dat een account van een student een maand na uitschrijving wordt afgesloten. Naar het oordeel van het College zijn er situaties denkbaar dat een onderwijsinstelling in het kader van een beroepsprocedure, voor zover mogelijk, opnieuw toegang verschaft tot een studentenaccount, maar appellant heeft in dit geval niet kunnen aangeven in welk opzicht dat een ander licht op de zaak zou werpen.

2.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van appellant ongegrond.