Uitspraak in zaak 2018/210/CBE

Bestreden beslissing:

De directeur van het Instituut voor Bedrijfskunde heeft namens het instellingsbestuur aan appellant een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Business IT & Management.

Het CBE van de Hogeschool Rotterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: ongegrond

Hoofdoverwegingen:

  1. Wraking 

    […] Het College zal daarom beoordelen of verweerder zonder vooringenomenheid heeft gehandeld.

    2.3.2. In de brief van 15 oktober 2018 heeft appellant zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld bij de behandeling van het door hem ingediende administratief beroepschrift. Het College ziet in die brief geen aanleiding om de beslissing van 18 oktober 2018 te vernietigen. Het is het College niet gebleken dat verweerder bewust informatie voor appellant heeft achtergehouden. Wel heeft de directeur bijlagen bij zijn verweerschrift gevoegd die origineel tentamenwerk bevatten en waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Die bijlagen zijn niet naar appellant doorgezonden. Appellant is in de plaats daarvan in de gelegenheid gesteld die bijlagen in te zien op 17 oktober 2018. Of deze handelwijze van verweerder onjuist is, zoals appellant heeft aangevoerd in zijn beroepschrift, komt hieronder aan de orde. Die handelwijze betekent echter niet dat verweerder vooringenomen is geweest bij de uitoefening van zijn taak. Dat verweerder pittige vragen aan appellant heeft gesteld, om een verklaring te verkrijgen voor het verschil tussen de screenshots van appellant en de in de administratie van de opleiding opgenomen studieresultaten, betekent evenmin dat verweerder daarmee vooringenomen is geweest. Tot slot bestaat voor verweerder geen wettelijke verplichting om de aantekeningen van de hoorzitting aan appellant te verstrekken (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1225 overweging 3.1). Ook in zoverre heeft verweerder niet vooringenomen gehandeld. Verweerder is in zijn besluit van 18 oktober 2018 ten onrechte niet ingegaan op de brief van appellant van 15 oktober 2018, zodat aan het besluit van verweerder in zoverre een motiveringsgebrek kleeft. Omdat het College heeft geoordeeld dat verweerder niet vooringenomen heeft gehandeld en appellant aldus niet in zijn belangen is benadeeld, zal dat gebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.

  2. Het verstrekken van stukken tijdens de procedure in administratief beroep

    […]

    2.4.1. De directeur heeft tentamenwerk meegezonden bij zijn verweerschrift van 17 september 2018, om te illustreren dat de door appellant overgelegde screenshots niet overeenkomen met de daadwerkelijk door hem behaalde resultaten. Vaststaat dat die stukken niet aan appellant zijn doorgezonden. Wel is appellant in de gelegenheid gesteld om het tentamenwerk in te zien en daarop te reageren, nadat daarover afspraken waren gemaakt op de hoorzitting. Op grond van artikel 7:18, tweede lid, van de Awb dienen de stukken een week van tevoren ter inzage te worden gelegd en had appellant op grond van het vierde lid van die bepaling op verzoek een afschrift van de stukken kunnen krijgen. In zoverre heeft verweerder niet overeenkomstig artikel 7:18, tweede en vierde lid, van de Awb gehandeld. Het College ziet echter geen aanleiding om de beslissing van verweerder van 18 oktober 2018 op deze procedurele grond te vernietigen. Daarvoor is van belang dat appellant in de gelegenheid is gesteld het tentamenwerk in te zien op 17 oktober 2018. Van die gelegenheid heeft appellant evenwel geen gebruik gemaakt. Inmiddels heeft verweerder het tentamenwerk ook in de beroepsprocedure bij het College geanonimiseerd overgelegd en heeft appellant in zijn brief van 5 februari 2019 een uitgebreide reactie op deze overgelegde stukken gegeven. Onder die omstandigheden is appellant niet in zijn processuele belangen benadeeld en zal het College dit procedurele gebrek passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb.

  3. Het bindend negatief studieadvies

    […]

    Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij de beoordeling van de studievoortgangseis een onjuist aantal studiepunten is gehanteerd, drie screenshots uit Osiris overgelegd van 4 februari 2018, 26 april 2018 en 29 april 2018. Uit die screenshots volgt, aldus appellant, dat hij niet 9, maar 58 studiepunten zou hebben behaald. Verweerder heeft die screenshots onderzocht en geconstateerd dat deze screenshots meerdere inconsistenties bevatten die het vermoeden rechtvaardigen dat deze screenshots niet op de door appellant gepresenteerde wijze uit Osiris zijn verkregen. Uit de door appellant overgelegde screenshots volgt bijvoorbeeld, zo heeft verweerder toegelicht, dat voor de cursus BIMBDK01 op de screenshot van 4 februari 2018 een 8 als cijfer is vermeld, terwijl voor diezelfde cursus op de screenshot van 26 april 2018 een 6 is vermeld. Uit de onderliggende tentamenstukken volgt echter, zo stelt verweerder, dat appellant voor deze cursus geen voldoende heeft behaald. Zo heeft verweerder bij meerdere cursussen op inconsistenties gewezen waarbij de cijfers en mutatiedata in de opeenvolgende screenshots telkens verschillen. Voor een aantal van die cursussen volgt bovendien uit het onderliggende tentamenwerk dat appellant daadwerkelijk een onvoldoende heeft behaald. Ter zitting van het College heeft een deskundige ten aanzien van Osiris verklaard dat hij de historie heeft bekeken van drie cursussen die loopt van het aanmaken van een ‘toetsrecord’ tot en met het vaststellen van het resultaat. Volgens de deskundige is uit zijn onderzoek gebleken dat bij de door hem gecontroleerde resultaten geen afwijkingen in het eerste en het laatste resultaat bestaan. De cijfers zijn niet bijgesteld zoals op de screenshots is te zien en zoals appellant betoogt, aldus de deskundige.

    Gelet op het voorgaande, heeft verweerder de directeur terecht gevolgd in zijn vaststelling dat appellant 9 studiepunten heeft behaald en daarmee niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis. Dat ingeleverd werk ten onrechte niet is nagekeken, zoals appellant betoogt, is het College niet gebleken. Bovendien is niet gebleken dat appellant eerder heeft geklaagd over het feit dat werk niet is nagekeken.

    Het betoog faalt.

  4. Onzorgvuldige informatieverstrekking over de studievoortgang

    […]

    2.6.1. Het College volgt de stelling van appellant, dat steeds aan hem is gecommuniceerd dat hij positieve studieresultaten had, niet. Daarvoor neemt het College in aanmerking dat appellant waarschuwingsbrieven heeft gehad over zijn studievoortgang. Weliswaar is de brief van 8 december 2017 gerectificeerd door de brief van 13 december 2017, maar zelfs als die tweede brief in december bij appellant voor verwarring heeft gezorgd, moest hem na de brief van maart 2018 toch wel duidelijk zijn dat zijn studieresultaten achterbleven. Verweerder heeft bovendien de verklaring van de coach van appellant van 12 oktober 2018 bij zijn besluitvorming mogen betrekken, ook al is deze verklaring na de hoorzitting ontvangen. Appellant heeft op die verklaring kunnen reageren, hetgeen hij bij brief van 15 oktober 2018 ook uitgebreid heeft gedaan. Uit deze verklaring volgt dat de studieloopbaancoach twee keer met appellant heeft gesproken over zijn studieresultaten en tijdens deze gesprekken duidelijk heeft gemaakt dat de studieresultaten, motivatie en houding onvoldoende waren. In die verklaring is ook vermeld dat appellant op 22 mei 2018 zijn eindassessment had voor de module SLC, dat hij daarvoor een incomplete portfolio had ingeleverd en dat hij deze portfolio niet heeft aangepast en opnieuw heeft ingeleverd, zodat de portfolio onvoldoende was. Ook volgt uit die verklaring dat de studieloopbaancoach in haar hoedanigheid als docent van een vak gesprekken met appellant heeft gehad over zijn functioneren in de projectgroep en dat dit beeld niet positief was. Het is het College dan ook niet gebleken dat de opleiding onzorgvuldig heeft gehandeld in de communicatie met appellant.

Het betoog faalt.