Uitspraak in zaak 2018/203/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie van Tilburg Law School heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Global Law.

Het CBE van de Universiteit van Tilburg heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO:ongegrond, wel proceskostenvergoeding

Hoofdoverwegingen:

2.4. Volgens appellante is het CBE ten onrechte tot dit oordeel gekomen. Zij voert het volgende aan. De beslissing om een BNSA te geven is onbevoegd genomen nu de beslissing niet door de decaan maar de voorzitter van de examencommissie is genomen. Aan het einde van het eerste studiejaar gold de studievoortgangsnorm van 42 studiepunten. Aan het einde van het derde studiejaar diende zij te voldoen aan de 70%-norm hetgeen erop neerkomt dat zij in totaal 51 studiepunten van de propedeutische fase behaald moest hebben. Feitelijk betekent dit dat daarmee aan appellante een zwaardere norm is opgelegd dan aan studenten die niet te maken hebben gehad met persoonlijke omstandigheden. Dit is niet toegestaan. In dit verband verwijst appellante naar de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) van 9 september 2016 (Tweede Kamer vergaderjaar 2015-2016, 31 288, nr. 553). Voor haar had nog steeds de voortgangsnorm van 42 studiepunten moeten gelden en aan deze norm had zij aan het einde van het derde studiejaar voldaan. Volgens appellante dienen de door haar aangevoerde omstandigheden als persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 31, zevende lid, van de OER (welk artikel is gebaseerd op artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008) te worden aangemerkt en vallen deze onder de noemer “ bijzondere familieomstandigheden”. De omstandigheden zijn ten onrechte niet meegewogen bij het geven van het BNSA. Voor zover de omstandigheden niet als zodanig kunnen worden aangemerkt, diende haar betoog te worden opgevat als een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 33 van de OER. Appellante wijst erop dat haar belangen bij afstuderen zwaarwegend zijn en dat zij ook studiepunten uit andere studiejaren heeft behaald.

2.4.1. Ter zitting van het College heeft appellante toegelicht dat zij betoogt dat het BNSA onbevoegd is genomen nu hieruit niet blijkt dat de beslissing namens de decaan is genomen. Uit artikel 31, vijfde lid, van de OER volgt dat de voorzitter bevoegd is alle besluiten inzake het studieadvies namens de decaan te nemen. Ingevolge artikel 10.10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient een krachtens mandaat genomen besluit te vermelden namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. In strijd met deze bepaling vermeldt het BNSA niet dat het namens de decaan is genomen. Appellante is hierdoor echter niet in haar belangen geschaad nu de voorzitter materieel bevoegd is het BNSA te geven. Het College ziet gelet hierop aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

2.4.2. Vaststaat dat appellante aan het einde van het studiejaar 2017-2018 niet aan de studievoortgangsnorm van het behalen van ten minste 70% van studiepunten van de openstaande propedeuse vakken, heeft voldaan. De stelling van appellante dat de aangepaste norm niet mocht worden gesteld, volgt het College niet. Uit artikel 31, derde lid, onder 3.4, van de OER en artikel 7.8b, tweede lid, van de WHW volgt dat een aangepaste norm mocht worden gesteld. Anders dan appellante stelt, valt dit ook uit voormelde brief van de minister af te leiden. Op pagina 2 van de brief is immers vermeld: “Als in verband met persoonlijke omstandigheden die in het eerste studiejaar zijn opgetreden geen oordeel kan worden gegeven over de ongeschiktheid van de student, dan kan dat oordeel tot een later moment worden uitgesteld. De instelling kan voor de betreffende studenten een aangepaste norm hanteren of nadere voorwaarden stellen”. Het College acht de aangepaste norm verder niet onredelijk. Ter zitting van het College heeft appellante nog gesteld dat een eerstejaarsstudent zonder persoonlijke omstandigheden met 42 studiepunten mag doorstuderen en vervolgens in het tweede jaar 0 studiepunten kan behalen maar dan alsnog de studie mag voortzetten terwijl in het geval van appellant een strengere studievoortgangsnorm wordt gesteld. Deze vergelijking gaat niet op. Het CBE heeft ter zitting terecht naar voren gebracht dat een student in staat moet worden geacht in een bepaald studiejaar een substantieel aantal studiepunten te behalen en dat een student die aan het einde van het eerste studiejaar 42 studiepunten heeft behaald, dit reeds heeft aangetoond, en appellante nog niet. Voor appellante is ook geen zwaardere eis gesteld dan voor studenten zonder persoonlijke omstandigheden nu appellant immers over een periode van drie studiejaren 51 studiepunten diende te behalen.

2.4.3. Appellante is in september 2015 gestart met de opleiding. Aan het einde van het eerste studiejaar heeft zij 30 studiepunten van de propedeutische fase behaald. Zij heeft een uitgesteld studieadvies gekregen wegens persoonlijke omstandigheden. Daarbij is de norm gesteld dat zij aan het einde van het tweede studiejaar ten minste 70% van de studiepunten van de nog openstaande vakken van de propedeutische vakken behaald moest hebben. Aan het einde van het tweede studiejaar heeft appellante 0 studiepunten van de propedeutische fase behaald. Appellante heeft wederom een uitgesteld studieadvies gekregen wegens persoonlijke omstandigheden. Daarbij is wederom voormelde 70%-norm gesteld. Gelet op het aantal in het eerste jaar behaalde punten had appellante op grond hiervan in het derde studiejaar ten minste 21 studiepunten van de propedeutische fase behaald moeten hebben. Zij heeft slechts 12 studiepunten van eerstejaarsvakken behaald. Het College is van oordeel dat het, gelet op de studieresultaten van appellante in de afgelopen drie studiejaren, niet aannemelijk is dat zij haar studie binnen afzienbare termijn zal afronden. De door appellante naar voren gebrachte omstandigheden, zoals het overlijden van haar grootmoeder, het vertrek van haar oppas en haar huwelijksproblemen, verklaren het geringe aantal in die drie jaren behaalde studiepunten onvoldoende. Ook is niet aannemelijk geworden dat appellante haar studie alsnog binnen afzienbare tijd zal kunnen afronden. Het CBE is terecht tot zijn oordeel gekomen. Reeds hierom had het CBE ook geen aanleiding behoeven te zien voor toepassing van de hardheidsclausule.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.