Uitspraak in zaak 2018/204/CBE

Bestreden beslissing

De directeur van de Rotterdam Business School heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt voor de opleiding Trade Management for Asia.

Het CBE van de Hogeschool Rotterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: gegrond

Hoofdoverwegingen

2.5.1. Het College overweegt, met verwijzing naar de uitspraak van 16 mei 2018 in zaaknummer 2017/209 (www.cbho.nl), dat het niet aan een studente is om het causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet behaald hebben van de benodigde studiepunten aan te tonen. Voldoende is de gestelde omstandigheden aan te tonen en aannemelijk te maken dat die omstandigheden de studieresultaten nadelig hebben beïnvloed. Het is vervolgens aan verweerder om te motiveren waarom desondanks een causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet hebben behaald van de benodigde studiepunten ontbreekt.

2.6. Het College overweegt dat appellante haar omstandigheden wat het tweede jaar betreft weliswaar laat heeft gemeld bij de opleiding, maar dat betekent niet zonder meer dat de directeur met die relevante omstandigheden geen rekening behoefde te houden, ook in het licht van de voorgeschiedenis in dit geval van een uitgesteld advies in het eerste studiejaar. Bovendien zijn de studentendecanen ondanks de late melding in staat geweest om - voor appellante gunstige - adviezen over het oorzakelijk verband tussen de persoonlijke omstandigheden en het niet halen van de studievoortgangsnorm te geven. In hun advies stellen de studentendecanen een oorzakelijk verband te zien tussen de bijzondere omstandigheden aan de kant van appellante en de studievoortgang. Verder heeft ook de studieadviseur een advies gegeven, waarin is vermeld dat zij het intrekken van het BNSA adviseert.

Het College stelt vast dat het CBE, in navolging van de directeur, het bestaan van de door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden, te weten een ernstige depressie, als zodanig niet heeft betwist. Het College acht aannemelijk dat deze ernstige depressie de studieresultaten van appellante nadelig heeft beïnvloed.
Gelet op de bovenvermelde uitspraak van 16 mei 2018 is het onder deze omstandigheden niet aan appellante om het causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet behaald hebben van de benodigde studiepunten aan te tonen, maar aan verweerder om te motiveren waarom desondanks een causaal verband tussen de aangevoerde omstandigheden en het niet hebben behaald van de benodigde studiepunten ontbreekt.
Naar het oordeel van het College is verweerder daar niet in geslaagd. Weliswaar heeft verweerder gewezen op de studiehouding en afwezigheid van appellante, maar appellante heeft adequaat weerlegd dat die de studieachterstand zouden verklaren. Zij heeft toegelicht dat zij mede op advies van de studentendecaan zich in het tweede jaar heeft gericht op het halen van eerstejaars vakken. De eerstejaars vakken die appellante nog moest halen waren echter aan de orde in de latere periode van het studiejaar, juist toen zij te kampen had met een ernstige depressie.
Dit betoog slaagt.