Uitspraak in zaak 2019/220.5

Bestreden beslissing:

Op het verzoek tot inschrijving per 1 september 2019 is afwijzend beslist wegens het niet tijdig voldoen aan de betalingsverplichting.

Het college van bestuur van de Universiteit Utrecht heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen die beslissing heeft appellant beroep ingesteld en verzocht om een versnelde behandeling.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.2.1. Verweerder heeft zich in reactie op de afmelding van appellant voor de zitting bij het College op het standpunt gesteld dat zijn beroep niet-ontvankelijk is, omdat appellant heeft aangegeven dat een zitting voor hem geen nut heeft, vanwege het feit dat hij van studie is gewisseld. Het College volgt dit standpunt van verweerder niet. Het is tot op zekere hoogte aannemelijk dat appellant als gevolg van de besluitvorming van verweerder schade heeft geleden in de vorm van studievertraging. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant geen enkel belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
[…]
2.2.4. Niet in geschil is dat appellant het collegegeld niet uiterlijk op 1 oktober 2019 heeft voldaan. Omdat uit artikel 7.37, tweede lid, van de WHW en artikel 3.A, onder a, van het Reglement volgt dat een student niet eerder wordt ingeschreven dan nadat de onherroepelijke machtiging vóór 1 oktober 2019 is afgegeven, heeft het Hoofd het verzoek om inschrijving van appellant, zoals verweerder heeft gesteld, terecht afgewezen. Verweerder heeft hierbij terecht van belang geacht dat appellant op 15 en 30 augustus 2019 en op 16, 23 en 27 september 2019 herinneringen ontvangen over de herinschrijving en de betaling van het collegegeld. Op 29 augustus 2019 heeft de Centrale Studentenadministratie nog een sms aan appellant gestuurd. In de stelling van appellant dat hij vergeten is om een betalingsmachtiging te bevestigen, omdat hij doordeweeks bezig is met een afstudeerstage en hij in het weekend continu werkt, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de beslissing van het Hoofd onjuist te vinden. Appellant heeft voldoende herinneringen gehad over de herinschrijving en de omstandigheid dat hij ondanks die herinneringen is vergeten om tijdig een machtiging af te geven, dient voor zijn risico te blijven. Dat appellant inmiddels bezig is met een afstudeerproject leidt niet tot het oordeel dat verweerder, ondanks de bindende bepalingen uit de WHW en het Reglement, een andere beslissing had moeten nemen.