Uitspraak in zaak 2018/193

Bestreden beslissing:

De Centrale Studenten Inschrijving (CSI) heeft afwijzend beslist op het verzoek om het wettelijk tarief in rekening te brengen.

Het college van bestuur van De Haagse Hogeschool heeft het bezwaar van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Appellant tekent bij het CBHO beroep aan tegen die beslissing.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4.3. Het antwoord op de vraag welk tarief een student is verschuldigd moet op grond van artikel 7.45a van de WHW worden beantwoord. Appellant bezit niet de Nederlandse nationaliteit en is niet ingevolge een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie gelijkgesteld met een Nederlander. De vraag is vervolgens of appellant behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen. Deze algemene maatregel van bestuur is het Bsf. 
Vaststaat dat appellant in 2010 met zijn niet-Nederlandse stiefmoeder naar Nederland is gekomen op basis van een aan de stiefmoeder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant. Appellant heeft vervolgens een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf gekregen, die later als gevolg van een wijziging van de terminologie is aangeduid als een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden.
De aan appellant verleende verblijfsvergunningvergunning kan niet worden aangemerkt als een verblijfsvergunning in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef, onder e en 2°, van het Bsf. Alleen een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met 'tijdelijke humanitaire gronden' of hiermee verband houdende 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' leidt ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef, onder e en 2°, van het Bsf tot gelijkstelling met een Nederlander. De beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' waaronder de huidige verblijfsvergunning van appellant is verleend, houdt niet verband met de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden', maar met de beperking arbeid als kennismigrant. De verblijfstatus van appellant leidt evenmin op grond van de overige bepalingen van het Bsf tot gelijkstelling met een Nederlander.
Anders dan appellant betoogt, wordt er in het Bsf geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt naar nationaliteit en verblijfstatus. Van een schending van artikel 14 van het EVRM en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM is dan ook geen sprake. Zoals het College heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 25 juni 2013 in zaak nr. CBHO 2013/009 is het maken van onderscheid geen discriminatie, indien daarvoor in het licht van de doelen van de in geding zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. Uit de nota van toelichting bij het Bsf (Stb. 2007, 64) blijkt dat er bewust voor is gekozen om bij de tijdelijke verblijfsvergunningen geen ondersteuning uit publieke middelen te bieden, aangezien het verblijf van kortstondige aard betreft, behoudens wanneer de tijdelijke verblijfsvergunning een opmaat voor een verblijf voor onbepaalde tijd is. Het College is van oordeel dat dit gemaakte onderscheid berust op redelijke en objectieve gronden, als hiervoor bedoeld, zodat het niet ongeoorloofd is.
Appellant mocht er voorts niet op vertrouwen dat hij door de enkele omstandigheid dat hij van DUO studiefinanciering heeft ontvangen ook aanspraak maakte op betaling van het wettelijk collegegeld. De hogeschool heeft een eigen taak om uit te zoeken of een student in aanmerking komt voor betaling van het wettelijk collegegeld. Overigens heeft DUO inmiddels het standpunt ingenomen dat ten onrechte aan appellant studiefinanciering is toegekend. Het CvB heeft voorts gemotiveerd toegelicht waarom in de studiejaren 2014-2015 en 2016-2017 maar gedeeltelijk het instellingscollegegeld bij appellant in rekening is gebracht. Het CvB heeft dit uit coulance gedaan gelet op de gerezen onduidelijkheid over de verblijfsstatus van appellant. Het College is van oordeel dat appellant hieraan niet de verwachting mocht ontlenen dat hij ook in de komende studiejaren slechts gedeeltelijk het instellingscollegegeld hoefde te betalen.

Wat betreft het beroep op artikel 7.51d van de WHW overweegt het College dat appellant geen verzoek heeft gedaan om financiële ondersteuning, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of de hogeschool een uitzondering voor hem had moeten maken.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat aan appellant terecht het instellingscollegegeld in rekening is gebracht. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestond geen aanleiding. Het CvB heeft dan ook het verzoek van appellant om het door hem betaalde instellingscollegegeld over de studiejaren 2014-2015, 2016-2017 en 2017-2018 te restitueren mogen afwijzen.
Het betoog faalt.