Uitspraak in zaak 2019/001/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie heeft op advies van de examinator  besloten dat appellante het coschap IHK-2 Interne Geneeskunde in zijn geheel moet overdoen omdat het onderdeel Medische Deskundigheid met een 5 is beoordeeld.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs.

Uitspraak CBHO: Gegrond

Hoofdoverwegingen:

2.7. Appellante heeft ingevulde beoordelingsformulieren uit haar portfolio overgelegd. Door docenten en supervisors zijn aan appellante de volgende cijfers gegeven:
- 5 april 2018 presentatie: voldaan;
- 6 april 2018 anamnese/statusvoering: een zes en een zeven;
- 13 april 2018 dienstoverdracht: twee vijven en een zes;
- 18 april 2018 brief: vijf zevens;
- 19 april 2018 brief: een zes en twee zevens;
- 24 april 2018 visite: twee zessen, twee zevens en een acht;

- 25 april 2019 patiëntverslag: twee zessen en een zeven;

- 26 april 2019 klinisch referaat: voldaan;

- 6 mei 2018 patiëntverslag: een zes en twee zevens;

- 7 mei 2019 anamnese: twee zevens;

- 9 mei 2019 lichamelijk onderzoek: twee zevens.
Op 17 april 2018 heeft een tussentijdse beoordeling plaatsgevonden. Hierbij zijn geen cijfers toegekend. Wel is op het formulier vermeld dat qua medisch deskundig niveau nog verbetering moet plaatsvinden en dat het onderscheiden van hoofd- en bijzaken nog onvoldoende is. Verder zijn blijkens het formulier met appellante leerdoelen vastgesteld. Eveneens op 17 april 2018 heeft appellante feedback ontvangen op een patiëntverslag, waarbij geen cijfers zijn gegeven. Verder heeft een tweede tussengesprek plaatsgevonden. Daarvan is geen verslag gemaakt.
2.8. In het verweerschrift wijst het CBE erop dat appellante er bij de eerste tussenbeoordeling op is gewezen dat haar niveau onvoldoende was en er leer- en ontwikkelpunten waren. Deze ontwikkelpunten zijn volgens het CBE essentiële onderdelen van het niveau dat aan het eind van het co-schap bereikt moet zijn. Verder heeft het CBE ter zitting toegelicht dat het voor een co-schap gegeven eindcijfer niet het gemiddelde is van de beoordelingen in het portfolio, omdat het initiatief voor het geven van die beoordelingen bij de student ligt. Voorts worden de ontwikkelpunten van appellante, zoals het beter scheiden van hoofd- en bijzaken, op meer beoordelingsformulieren door docenten als feedback meegegeven.

2.9. Het College constateert dat, zoals het CBE heeft gesteld, de in de tussenbeoordeling vermelde ontwikkelpunten van appellante in latere beoordelingsformulieren als feedback worden vermeld en deze ook in de eindbeoordeling als ontwikkelpunten zijn genoemd. Ook begrijpt het College dat voor de eindbeoordeling niet slechts wordt uitgegaan van het gemiddelde van de bij de beoordelingsformulieren gegeven cijfers, nu die op initiatief van de student worden ingevuld. Appellante heeft echter dertien door docenten en supervisors ingevulde beoordelingsformulieren uit haar portfolio overgelegd, waarvan er bij tien aan haar voldoendes zijn toegekend. Slechts op 13 april 2018 zijn aan appellante op een beoordelingsformulier onvoldoendes gegeven en uit het verslag van de tussenbeoordeling van 17 april 2018 blijkt dat de medische deskundigheid van appellante op dat moment nog onvoldoende was. Na deze tussenbeoordeling heeft appellante acht beoordelingsformulieren ontvangen waarbij aan haar voldoendes zijn gegeven. Desondanks is bij de eindbeoordeling het door appellante gelopen co-schap als onvoldoende beoordeeld. Ter zitting van het College heeft appellante toegelicht dat zij bij het eindbeoordelingsgesprek geen presentatie heeft gegeven. Verder heeft appellante onweersproken gesteld dat zij e-mails en evaluaties waarop volgens haar de onvoldoende eindbeoordeling is gebaseerd niet heeft gekregen. Ook uit het door de examinator ingevulde eindbeoordelingsformulier blijkt niet waarop hij zijn oordeel baseert dat het door appellante gelopen co-schap ondanks de formulieren in haar portfolio met een onvoldoende moet worden beoordeeld. Niet inzichtelijk is of dit oordeel van de examinator is gebaseerd op zijn eigen waarnemingen gedurende het co-schap of bijvoorbeeld op terugkoppeling van waarnemingen van andere docenten en supervisors die appellante tijdens het co-schap hebben begeleid. Evenmin is inzichtelijk op welke momenten en in welke situaties die waarnemingen hebben plaatsgehad. Gelet hierop is het College, mede in het licht van de voldoende beoordelingen in het portfolio van appellante, van oordeel dat het CBE ten onrechte niet heeft onderkend dat de beslissing van 12 mei 2018 om aan appellante een onvoldoende toe te kennen onvoldoende is gemotiveerd.

Het betoog slaagt.