Uitspraak in zaak 2019/014/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie van de faculteit Economie en Bedrijfskunde heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van de Universiteit van Amsterdam heeft het administratief beroep van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.6. Uit de verslagen van gesprekken en e-mails met de studieadviseurs blijkt dat appellante tot 20 februari 2018 regelmatig contact had en dat uitdrukkelijk is afgesproken en haar is gevraagd om contact te blijven houden. Desondanks heeft appellante na 20 februari 2018 eerst op 6 juli 2018 weer contact gezocht. Hierdoor hebben de studieadviseurs appellante in die periode niet kunnen begeleiden. De examencommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat daardoor geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de persoonlijke omstandigheden van appellante en het niet behalen van de eerstejaarsvakken. Juist indien, zoals appellante stelt, het haar niet lukte om eerder bij Punt P terecht te kunnen en zij in die periode door haar persoonlijke omstandigheden werd belemmerd, had appellante de studieadviseurs in die periode moeten informeren. Uit de door appellante overgelegde verklaring van de psycholoog blijkt niet in welke mate zij in het studiejaar 2017-2018 door de psychische problemen is belemmerd in de studievoortgang. Daarin is immers slechts vermeld dat in het algemeen gesteld kan worden dat een persisterende depressieve stoornis kan leiden tot verminderde energie en concentratie. Uit het verslag van het gesprek met de studieadviseur op 6 februari 2018 blijkt dat de studieadviseur heeft voorgesteld om deel te nemen aan e-coaching, maar appellante dat niet wilde. Appellante heeft in het studiejaar 2017‑2018 wel 18 studiepunten aan tweedejaarsvakken behaald.

Het CBE heeft terecht geoordeeld dat de examencommissie zich onder deze omstandigheden op het standpunt heeft mogen stellen dat de door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende verklaren waarom zij in het studiejaar 2017-2018 geen eerstejaarsvakken heeft gehaald. De examencommissie heeft appellante een BNSA mogen geven en heeft van toepassing van de hardheidsclausule mogen afzien.

Het betoog faalt.