Uitspraak in de zaak 2018/215/CBE

Bestreden beslissing

De examinator heeft de cursus Afstudeerproject beoordeeld met een onvoldoende. De examencommissie heeft afwijzend beslist op een verzoek tot herbeoordeling.

Het CBE van de Hogeschool Utrecht heeft het administratief beroep tegen die beslissingen ongegrond verklaard.

Tegen die beslissing heeft appellant beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

.3.2. Zoals in overweging 2.1. is vermeld, kent de hogeschool bij de cursus Afstudeerproject het systeem waarbij er eerst voorlopige beoordelingen worden toegekend. De eindbeoordeling van alle onderliggende toetsen van de cursus Afstudeerproject, dus ook die van het ‘Afstudeerverslag’, vindt pas plaats na afloop van de toets ‘Presentatie en Verdediging’. Ter zitting van het College is toegelicht dat voor dit systeem is gekozen, omdat een zekere koppeling bestaat tussen de competenties die zowel bij het ‘Afstudeerverslag’ als bij de ‘Presentatie en Verdediging’ aan bod komen. Dit komt met name tot uiting bij de mondelinge verdediging van het afstudeerverslag. Een goede mondelinge verdediging kan er toe leiden dat de eindbeoordeling van het ‘Afstudeerverslag’ hoger wordt dan de voorlopige beoordeling. Andersom kan een slechte mondelinge verdediging ertoe leiden dat de eindbeoordeling van het ‘Afstudeerverslag’ lager wordt. Het College vindt dit systeem niet onredelijk. In het geval van appellant, zo is ter zitting toegelicht, is de hogere beoordeling voor de toets ‘Presentatie en Verdediging’  toe te schrijven aan een betere presentatie door appellant. Op het onderdeel verdediging heeft appellant volgens het CBE evenwel geen significante verbetering laten zien. Om die reden heeft de hogere beoordeling voor de toets ‘Presentatie en Verdediging’ niet geleid tot een hogere beoordeling voor het ‘Afstudeerverslag’. Gelet op deze uitleg, en gelet op het beperkte toetsingskader zoals weergegeven in overweging 2.3.1, bestaat er geen grond voor het oordeel dat appellant gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een hoger cijfer voor ‘Presentatie en Verdediging’ zou resulteren in een hogere beoordeling voor het ‘Afstudeerverslag’.
Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het CBE niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de examinator per abuis bij zes competenties verkeerde cijfers heeft ingevoerd op de beoordelingsformulieren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat sprake is van strijd met het verbod op reformatio in peius. Het College overweegt hiertoe dat het CBE zowel in zijn stukken als ter zitting heeft toegelicht dat de examinator bij het invullen van de digitale beoordelingsformulieren in het Excel-bestand ‘[Naam 1] Beoordelingsformulieren – zitting 2’ per abuis de scores in Kolom C van het werkblad Presentatie en Verdediging heeft aangepast. In Kolom C zijn de vastgestelde scores voor het Afstudeerverslag opgenomen via een formule die gekoppeld is aan het werkblad Afstudeerverslag. Het College heeft dit gecontroleerd en vastgesteld dat in Kolom C in enkele velden de formules zijn verwijderd en vervangen door een cijfer. Dit kan niet anders worden verklaard dan dat de examinator per abuis bij het invullen van zijn beoordeling formules heeft gewist. De correctie die vervolgens heeft plaatsgevonden, had betrekking op het herstellen van de formule voor de koppeling tussen het werkblad voor het Afstudeerverslag en het werkblad voor Presentatie en Verdediging, zodat in laatstgenoemd werkblad de juiste scores voor het afstudeerverslag verschenen. Het CBE heeft daarmee voldoende aangetoond dat het aanpassen van de beoordeling slechts de correctie van een vergissing betrof.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beslissing van het CBE standhoudt.