Uitspraak in zaak 2019/032/CBE

Bestreden beslissing:

De afstudeeropdracht is ook na een second opinion met een onvoldoende beoordeeld.

Het CBE van de Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep van appellant tegen de beoordeling ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. In hoofdstuk 10 van de toepasselijke Onderwijs- en Examenregeling (hierna: OER) is opgenomen dat de beoordeling van een afstudeerproduct door minimaal twee examinatoren plaatsvindt. Een interne begeleider kan als examinator worden aangewezen door de examencommissie, maar niet als eerstverantwoordelijke examinator. In de Handleiding “In 10 stappen naar je diploma; Het afstudeertraject 2016-2017” (hierna: de afstudeerhandleiding) is vermeld dat een student pas zijn scriptie mag schrijven indien het Plan van Aanpak met een voldoende is beoordeeld. In dit geval was Vleut de afstudeerbegeleider van appellante en was hij tevens de tweede examinator. Uit de stukken uit het dossier blijkt dat appellante moeite had met het opstellen van het Plan van Aanpak. Ter zitting van het College heeft appellante toegelicht dat zij met name problemen had met het vinden van een juiste probleemstelling. Uit de stukken uit het dossier blijkt dat Vleut meerdere keren aan appellante heeft gecommuniceerd dat het Plan van Aanpak nog niet voldeed. Bij e-mail van 19 juli 2018 heeft hij het door appellante ingezonden Plan van Aanpak en de scriptie doorgestuurd aan de examencommissie en daarbij vermeld dat het Plan van Aanpak nog niet is goedgekeurd en dat er geen beoordeling is uitgevoerd.
Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de helft van de beoordelaars het Plan van Aanpak al voldoende vond en als zodanig zou hebben moeten beoordelen. Gelet op de bewoordingen in de e-mail van 19 juli 2018 mocht appellante er niet op vertrouwen dat het enkele feit dat Vleut het Plan van Aanpak had doorgestuurd betekende dat hij het Plan van Aanpak voldoende achtte. De handelwijze van de hogeschool om het appellante toe te staan om, ondanks een nog niet goedgekeurd Plan van Aanpak, haar scriptie in te leveren acht het College niet onjuist. Hiertoe is van belang dat, zoals ook door het CBE is toegelicht, in dit geval sprake was van een opleiding die per 1 september 2018 zou worden beëindigd. Indien het appellante niet was toegestaan haar scriptie gelijktijdig met het Plan van Aanpak in te leveren, zou zij hoe dan ook niet hebben kunnen afstuderen. Dat heeft de hogeschool willen voorkomen door iedere student de mogelijkheid te bieden beide onderdelen van de afstudeeropdracht gelijktijdig in te dienen.
Over de puntentelling bij de second opinion overweegt het College dat in de afstudeerhandleiding de normering van de Afstudeeropdracht is opgenomen. Hierin is vermeld dat alle hoofdcriteria, de zogeheten onderdelen, met een voldoende moeten zijn beoordeeld. Elk onderdeel bestaat uit een aantal criteria die worden beoordeeld. Die criteria worden beoordeeld met een ‘slecht’, ‘matig’, ‘redelijk’ of ‘goed’. Indien een criterium binnen een onderdeel met ‘slecht’ wordt beoordeeld of indien meer dan de helft van de criteria als ‘matig’ is beoordeeld, levert dat een onvoldoende op voor het desbetreffende onderdeel. Voorts in de afstudeerhandleiding vermeld dat het eindcijfer het rekenkundig gemiddelde van de hoofdcriteria betreft. Uit het beoordelingsformulier, behorende bij de beoordeling van 16 oktober 2018, blijkt dat appellante bij het onderdeel Theoretisch kader bij vier van de zes criteria de score ‘matig’ heeft ontvangen, hetgeen een onvoldoende oplevert. De examinator heeft hier het cijfer 5,0 ingevuld. Dat hij niet letterlijk het woord “onvoldoende” op het formulier heeft geschreven, doet hieraan niet af nu een 5,0 onmiskenbaar een onvoldoende is. Nu appellante voor het onderdeel Theoretisch Kader een onvoldoende heeft behaald, kon zij hoe dan ook geen voldoende meer halen. Er wordt dan ook niet toegekomen aan het vaststellen van het rekenkundig gemiddelde van de hoofdcriteria. Dat – zoals appellante met juistheid heeft aangevoerd - bij twee andere onderdelen een onjuist cijfer staat vermeld, kan appellante dan ook niet baten.
Wat betreft de stelling van appellante dat het beoordelingsformulier niet voorzien is van een handtekening van de examinatoren overweegt het College dat het CBE gemotiveerd heeft toegelicht dat dit niet altijd is gebeurd, omdat niet alle docenten in staat waren een digitale handtekening te zetten en dat het verkrijgen van een natte handtekening extra tijd kostte. Tijd die er, gelet op het beëindigen van de opleiding, niet was. Het College acht dit niet onaannemelijk en twijfelt er niet aan dat de beoordelingsformulieren daadwerkelijk door de examinatoren zijn ingevuld. Het College is voorts van oordeel dat het CBE in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om toepassing te geven aan artikel 7.12b, derde lid, van de WHW.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het CBE de beslissing van de examencommissie terecht heeft gehandhaafd.
Het betoog faalt.