Uitspraak in zaak 2019/038/CBE

Bestreden beslissing:

De examencommissie van de Erasmus School of Law heeft namens de decaan aan appellante een bindend negatief studieadvies verstrekt.

Het CBE van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het administratief beroep van appellante tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

De toepasselijke studievoortgangsnorm
2.3.2. Het College stelt vast dat uit artikel 54, eerste lid, van de OER is af te leiden dat de studievoortgangsnorm van 60 punten van toepassing is indien sprake is van een inschrijving voor de voltijdse opleiding.
Het staat vast dat appellante vanaf de aanvang van haar bacheloropleiding in Studielink ingeschreven heeft gestaan als voltijdstudente. Niet gesteld of gebleken is dat de status van de inschrijving in studielink nadien is veranderd. Hieruit volgt dat voor appellante, gelet op artikel 54, eerste lid, van de OER, de studievoortgangsnorm - voor voltijdstudenten - van 60 punten gold.
Aan de omstandigheid dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, gedurende het studiejaar 2017-2018 deel diende te nemen aan het vrijdagmiddagonderwijs, kon appellante naar het oordeel van het College niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat op haar - in afwijking van artikel 34, eerste lid, van de OER - de studievoortgangsnorm voor deeltijdstudenten zou (moeten) worden toegepast. Hierbij is van belang dat, zoals ter zitting door verweerder is toegelicht, het vrijdagmiddagonderwijs niet uitsluitend door deeltijdstudenten wordt gevolgd, maar ook door voltijdstudenten. Verder is van belang dat appellante al bij het besluit van 27 november 2017 uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat voor haar als studievoortgangsnorm 60 studiepunten gold. Niet is gebleken dat de onderwijsinstelling daar op enig moment op terug is gekomen. Gelet hierop kan appellante ook aan de gestelde omstandigheid dat zij tijdens het studiejaar niet is ingelicht over de reden van haar plaatsing in het vrijdagmiddagonderwijs niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de studievoortgangsnorm voor deeltijdstudenten van toepassing zou zijn.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat het CBE terecht, in navolging van de decaan, de studievoortgangsnorm van 60 studiepunten, die voor voltijdstudenten geld, heeft toegepast op appellante.
Het betoog faalt.

Persoonlijke omstandigheden, haalbaarheid

2.4. Het College stelt vast dat appellante in haar (aanvullend) beroepschrift heeft gesteld dat het CBE onvoldoende betekenis heeft toegekend aan haar persoonlijke omstandigheden in het collegejaar 2017-2018. Ter zitting heeft zij echter aangegeven dat het er om gaat dat een "verkeerd systeem" is toegepast en de persoonlijke omstandigheden geen argument meer vormen, en het betoog over haar persoonlijke omstandigheden niet langer handhaaft.
De stelling van appellante dat "een verkeerd systeem" is toegepast, begrijpt het College zo dat dit ziet op de plaatsing van appellante in het vrijdagmiddagonderwijs. Het College merkt op dat die plaatsing hiervoor al aan de orde is gekomen in relatie tot de vraag naar de toepasselijke studievoortgangsnorm. In dat kader faalt het betoog van appellante, zoals blijkt uit overweging 2.3.2. Verder merkt het College op dat appellante niet heeft geconcretiseerd dat vanwege de plaatsing in het vrijdagmiddagonderwijs tentamens niet meer haalbaar zouden zijn geweest. Voor het overige kunnen eventuele bezwaren tegen de plaatsing in het vrijdagmiddagonderwijs, in deze procedure, over de BNSA, niet inhoudelijk aan de orde komen.
De betogen falen.

Zorgvuldige besluitvorming?
2.5.1. Het College stelt vast dat appellante in algemene zin heeft aangevoerd dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Appellante heeft dit betoog echter niet geconcretiseerd en onderbouwd. Daarom kan dit betoog niet slagen. Voor zover appellante heeft beoogd te verwijzen naar het in haar ogen ten onrechte toepassen van de studievoortgangsnorm voor voltijdstudenten, wijst het College op hetgeen hiervoor onder 2.3.2. is overwogen. Hieruit volgt dat het betoog faalt.