Uitspraak in zaak 2019/009

Bestreden beslissing:

Op het verzoek tot restitutie van het betaalde collegegeld voor een premasterprogramma is afwijzend gereageerd.

Het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft het bezwaar van appellant aanvankelijk ongegrond verklaard.

Tegen de laatste beslissing van het CvB heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.4. Bij brief van 27 augustus 2015 heeft appellant een bewijs van inschrijving voor het collegejaar 2015/2016 ontvangen. Hierin staat dat hij is ingeschreven voor de opleiding Premaster Bestuurskunde. De door appellant aangehaalde passage in het verweerschrift van 2 juli 2018 doet hieraan niet af. Bovendien was uitgangspunt van dat verweerschrift dat appellant voor de Premaster was ingeschreven en dat hij daarvoor geen collegegeld, maar een vergoeding heeft betaald.

Het betoog faalt.

2.5. Het toepassingsbereik van de Richtlijn is, gelet op artikel 1, eerste lid, beperkt tot bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument. In het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017 was een beding in een overeenkomst tussen een particuliere onderwijsinstelling en een student aan de orde, waarop de Richtlijn van toepassing was. In deze zaak gaat het niet om een beding in een overeenkomst, maar om algemeen verbindende voorschriften, neergelegd in de artikelen 4.6 van de Procedureregels en 6a van de Regeling. Daarop is de Richtlijn niet van toepassing. Premasters hebben een louter publiekrechtelijke grondslag in artikel 7:57i van de WHW.

Het betoog faalt.

2.6. Voor zover appellant bedoelt te betogen dat de artikelen 4.6 van de Procedureregels en 6a van de Regeling onverbindend zijn, omdat hierdoor een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen reguliere studenten, die bij tussentijdse uitschrijving restitutie van betaald collegegeld kunnen krijgen, en deelnemers aan een premaster, die bij tussentijdse uitschrijving geen restitutie van betaalde premastervergoeding kunnen krijgen, faalt dit betoog eveneens. Verweerder heeft ter zitting van het College toegelicht dat een onderwijsinstelling voor een reguliere student rijksbekostiging ontvangt en voor een deelnemer aan een premaster niet. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het College het verschil in restitutieregime.