Uitspraak in zaak 2019/011/CBE

Bestreden beslissing:

Voor drie cursussen behorend bij de stage en het onderdeel professionalisering is het cijfer één (niet beoordeelbaar) vastgesteld; voor de cursus ERGBPR02S3 is geen beoordeling vastgesteld.

Het CBE van de Hogeschool Rotterdam heeft het administratief beroep tegen die beslissingen ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep bij het CBHO ingesteld.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.1. Zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft toegelicht, is, gelet op de verwevenheid van de cursus met de stage, op pagina 24 van de reguliere stagehandleiding onder het kopje 'inspanningsverplichting supervisiebijeenkomsten' opgenomen wat van de student wordt verwacht. Het College ziet daarom geen grond voor het oordeel dat een handleiding ontbreekt. Onderdeel van de inspanningsverplichting is onder meer het digitaal beschikbaar stellen van een ontwikkeldossier aan de studieloopbaancoach op de laatste terugkomdag. Aan dit vereiste heeft appellante niet voldaan. Voorts is een onvoldoende leerhouding en bijdrage aan de groepsbijeenkomsten geconstateerd. Niet kan worden gezegd dat deze beoordeling onjuist is, zodat appellante evenmin heeft voldaan aan een aantal inhoudelijke onderdelen van de inspanningsverplichting.

Het betoog faalt.

[…]

2.4.1. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, onder verwijzing naar het door de examencommissie in administratief beroep overgelegde screenshot, toegelicht dat de studiehandleiding voor de cursus beschikbaar was in de digitale leeromgeving. Het College ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat deze studiehandleiding ook in voorgaande studiejaren werd gebruikt en daardoor niet geheel aansloot op de door appellante gevolgde cursus, zoals zij stelt, betekent niet dat er geen studiehandleiding was of dat de beschikbare handleiding redelijkerwijs niet van toepassing kon worden geacht. Volgens hoofdstuk 7 van deze handleiding vindt toetsing onder meer plaats in de vorm van "een beroepsproduct gebaseerd op een casestudy uit je stage" die wordt ingeleverd en beoordeeld. Dit beroepsproduct is het verslag dat appellante had moeten inleveren. Gelet hierop kan het College appellante niet volgen in haar stelling dat op grond van haar aanwezigheid bij het onderwijs en de tijdens de stage gemaakte casestudies een voldoende had moeten worden toegekend. Dat medestudenten van appellante de cursus hebben gehaald zonder een verslag te hebben ingeleverd, is niet komen vast te staan.

Het betoog faalt.