Uitspraak in zaak 2019/024/CBE

Bestreden beslissing:

Tegen de beoordeling van de afstudeerscriptie en de weigering om een herbeoordeling vast te laten stellen heeft appellant administratief beroep ingesteld. Het CBE van Hogeschool Inholland heeft het administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het CBE heeft appellante beroep ingesteld bij  het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond

Hoofdoverwegingen:

2.3.2. Uit de stukken uit het dossier blijkt dat de studiebegeleider regelmatig contact heeft gehad met appellant over de voortgang van de afstudeeropdracht. Hierbij heeft de studiebegeleider feedback gegeven op de door appellant ingeleverde producten, in het bijzonder op het plan van aanpak. Zo heeft de studiebegeleider bij e-mail van 14 maart 2018 appellant bericht dat het lastig is om feedback te geven op het plan van aanpak, omdat het op een kladversie lijkt en het nog lang niet compleet is. Voorts heeft de studiebegeleider bij e-mail van 15 mei 2018 appellant bericht dat de methodologie van het plan van aanpak nog niet helemaal goed doordacht is. Bij e-mail van 28 mei 2018 heeft de studiebegeleider appellant bericht dat zij nog een concept-enquête mist. Verder is appellant meermaals uitgenodigd voor een spreekuur of een mondelinge feedbackbijeenkomst, waarbij appellant vervolgens niet is komen opdagen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant onvoldoende feedback heeft ontvangen. Dat de studiebegeleider in Trello meer feedback heeft verwerkt, doet hieraan niet af. Mede gelet op de inhoud van de feedback mocht hij er niet op vertrouwen dat het met zijn afstudeeropdracht wel goed zat als hij de laatste aanpassingen zou verwerken. Voorts betekent het enkele feit dat appellant door mocht gaan met het schrijven van zijn scriptie, terwijl zijn plan van aanpak nog niet was goedgekeurd, niet dat de begeleiding onvoldoende is geweest. Hiertoe is van belang dat, zoals ook door het CBE is toegelicht, in dit geval sprake was van een opleiding die per 1 september 2018 zou worden beëindigd. Indien het appellant niet was toegestaan zijn scriptie gelijktijdig met het plan van aanpak in te leveren, zou hij hoe dan ook niet hebben kunnen afstuderen. Dat heeft de hogeschool willen voorkomen door iedere student de mogelijkheid te bieden beide onderdelen van de afstudeeropdracht gelijktijdig in te dienen. Deze handelwijze acht het College niet onrechtmatig.
Over de stelling van appellant dat niet duidelijk is gemaakt waarom zijn afstudeeropdracht niet door de eerste beoordelaar kon worden herbeoordeeld, overweegt het College dat het CBE gemotiveerd uiteen heeft gezet dat het qua planning niet altijd mogelijk is om een afstudeeropdracht door dezelfde examinator te laten herbeoordelen. Het CBE heeft in het verweerschrift voorts toegelicht dat alle beoordelaars deel uitmaken van de afstudeercommissie, dat deze commissie afspraken heeft gemaakt over de wijze van beoordeling en dat in die commissie de beoordelingscriteria voor de afstudeeropdracht zijn besproken. Niet valt in te zien dat deze werkwijze onjuist zou zijn of in strijd zou zijn met de voorschriften uit de Onderwijs- en Examenregeling.
Het College volgt voorts het standpunt van het CBE dat het aan appellant is om het geheel van de inhoud van zijn onderzoek te bewaken en te controleren of het herzien van een onderdeel in zijn onderzoek naar aanleiding van de verkregen feedback tevens aanleiding geeft om de inhoud van andere delen van zijn onderzoek te herzien. De verkregen feedback dient slechts als hulpmiddel. Appellant blijft verantwoordelijk voor zijn afstudeeropdracht.

Over het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het College dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt welke andere gelijke gevallen er zijn, zodat alleen al hierom het beroep hierop niet kan slagen. Voor zover appellant met zijn betoog dat het CBE niet heeft onderkend dat zich privéomstandigheden hebben voortgedaan beoogt te betogen dat het CBE in door hem gevoerde omstandigheden aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan artikel 7.12b, derde lid, van de WHW overweegt het College dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt welke privéomstandigheden zich hebben voortgedaan en in welke mate dat zijn prestaties heeft beïnvloed. Reeds hierom bestond geen aanleiding voor het CBE toepassing te geven aan artikel 7.12b, derde lid, van de WHW.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het CBE de beslissing van de examencommissie terecht in stand heeft gelaten. Het betoog faalt.