Uitspraak in zaak 2019/012

Bestreden beslissing

Op het verzoek tot restitutie van betaald collegegeld is afwijzend beslist.

Het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen heeft het bezwaar van appellant tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Tegen de laatste beslissing van het CvB heeft appellant beroep ingesteld bij het CBHO.

Uitspraak CBHO: Ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen

Hoofdoverwegingen:

Beoordeling van het beroep

  1. Formele gronden

    2.3. Appellant stelt, naar het College begrijpt, dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, omdat hem uit eerdere procedures is gebleken dat een hoorzitting ten onrechte niet achter gesloten deuren plaatsvindt. Appellant is uitgenodigd voor een hoorzitting op 19 november 2018. In zoverre is hij dus in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Zoals het College verder eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 26 juni 2018 in zaak nr. 2018/049) dienen zwaarwegende bijzondere omstandigheden te bestaan voor een uitzondering op het uitgangspunt dat zittingen openbaar zijn. Die omstandigheden heeft appellant niet aangevoerd. De beslissing op bezwaar komt dan ook niet om die reden voor vernietiging in aanmerking.

    2.3.1. Wat betreft het betoog van appellant dat hij wegens de te late indiening van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarprocedure door verweerder in zijn processuele belangen is geschaad, overweegt het College als volgt. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Verweerder heeft op 9 november 2018 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan appellant overgelegd. Aangezien verweerder daarmee de in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb neergelegde termijn, in acht heeft genomen, is appellant door deze handelwijze niet in zijn processuele belangen geschaad.

    Voor zover appellant betoogt dat verweerder het verweerschrift in beroep niet tijdig heeft ingediend, is van belang dat verweerder bij brief van 13 maart 2019 is uitgenodigd om dat verweerschrift vóór 25 april 2019 in te dienen. Het verweerschrift is op 26 april 2019 ontvangen. Weliswaar is het verweerschrift dus iets later dan de aldus gestelde termijn ontvangen, maar ruim vóór de in artikel 8:58 van de Awb vermelde uiterste termijn. Ook hierin ziet het College, ook gelet op de omvang van het verweerschrift, geen aanleiding voor het oordeel dat appellant door deze handelwijze in zijn processuele belangen is geschaad.

  2. Inhoudelijke gronden

    2.4. Appellant heeft zich eerder per 1 september 2017 aangemeld voor de bachelor Rechtsgeleerdheid. Die aanmelding heeft niet tot een inschrijving geleid. Daarna heeft appellant een verzoek gedaan om alsnog ingeschreven te kunnen worden. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de toelatingscommissie haar akkoord gegeven voor een inschrijving – in afwijking van het reguliere instroommoment – per 1 februari 2018. Tegen die beslissing van 17 januari 2018 heeft appellant rechtsmiddelen aangewend, omdat hij per 1 november dan wel 1 december 2017 wenste te worden ingeschreven. Het College heeft het beroep van appellant bij uitspraak van 20 december 2018 (zaak nr. 2018/100) ongegrond verklaard. Appellant heeft vervolgens van de mogelijkheid gebruik gemaakt om zich in te schrijven per 1 februari 2018. In zijn verzoek van 21 juni 2018 heeft hij om teruggave van collegegeld verzocht, omdat het collegegeld volgens hem onverschuldigd is betaald. Volgens appellant was een inschrijving, anders dan hem was medegedeeld, niet een noodzakelijke voorwaarde om een verzoek bij de examencommissie in te kunnen dienen.

    2.4.1. Artikel 7.42, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) luidt als volgt: het instellingsbestuur beëindigt op verzoek van degene die is uitgeschreven voor een opleiding diens inschrijving met ingang van de volgende maand. 

    In artikel 7.43, eerste lid, is, voor zover hier van belang, bepaald dat een student voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven aan de desbetreffende instelling collegegeld is verschuldigd.

    In artikel 7.48, vierde lid, is – voor zover relevant – bepaald dat de student aanspraak heeft op terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem verschuldigde wettelijke collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurt. In het vijfde lid van deze bepaling is vermeld dat vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in onder andere het eerste lid, wordt aangemerkt als niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage.

    Uit artikel 23 van de Regeling volgt dat het verzoek tot beëindiging van de inschrijving moet worden ingediend voor het einde van het studiejaar en dat dit verzoek wordt gedaan via Studielink.

    Op grond van artikel 24 van de Regeling is beëindiging op andere gronden mogelijk. Die gronden zijn neergelegd in de leden 1 tot en met 5 van die bepaling.

    2.4.2. Appellant heeft zich ingeschreven per 1 februari 2018 en hij heeft geen verzoek tot uitschrijving gedaan via Studielink. Ook zijn de in artikel 24 van de Regeling neergelegde andere gronden van beëindiging niet relevant voor de situatie van appellant. Gelet hierop geldt voor appellant de in artikel 7.43, eerste lid, van de WHW neergelegde verplichting tot betaling van collegegeld. Voor zover appellant betoogt dat hij zich heeft ingeschreven op grond van onjuiste informatie, leidt dat betoog niet tot het gewenste doel. Appellant heeft zelf de keuze gemaakt zich in te schrijven, nadat de toelatingscommissie akkoord was gegaan met een inschrijving per 1 februari 2018. Dat in een e-mail van 15 januari 2018 aan appellant is medegedeeld dat de examencommissie een verzoek tot goedkeuring van een vakkenpakket kan beoordelen in het geval dat appellant ingeschreven staat als student en hij daartoe een verzoek doet, betekent niet dat appellant is ontslagen van de wettelijke verplichting om collegegeld te voldoen. Overigens heeft appellant geen verzoek ingediend tot goedkeuring van een vakkenpakket en zich evenmin direct uitgeschreven. Voor zover appellant op het verkeerde been was gezet door de e-mail van 15 januari 2018, hetgeen de instelling heeft erkend, had hij zo snel mogelijk een verzoek tot uitschrijving kunnen doen. Dat hij dit heeft nagelaten, komt voor zijn risico. Voor verweerder bestond geen aanleiding om, zonder verzoek van appellant daartoe, tot uitschrijving over te gaan.

    2.4.3. De terugbetaling van collegegeld is in artikel 7.48 van de WHW geregeld en die regeling is uitputtend. Dit betekent dat een onderwijsinstelling het wettelijk collegegeld alleen mag verminderen of een student daarvan mag vrijstellen in de in artikel 7.48, vijfde lid, van de WHW vermelde gevallen. Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in dat artikellid wordt aangemerkt als niet doelmatige besteding van de rijksbijdrage, als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid. De situatie van appellant valt niet onder één van de in artikel 7.48, vijfde lid, van de WHW vermelde gevallen. Dit heeft tot gevolg dat de WHW geen rechtsgrond bevat op grond waarvan verweerder het verzoek van appellant tot terugbetaling van het door hem betaalde collegegeld vanaf 1 februari 2018 kon inwilligen (zie ook de uitspraak van 5 april 2019 in zaak nr. 2018/186).